Logo
Donate Now

Letter to the Diocese (Dutch)

Letter to the Diocese (Dutch)

Deze brief is ook beschikbaar in de volgende talen:

English Arabic French Spanish Italian
Portuguese Romanian Traditional Chinese Simplified Chinese Hebrew

 

"Zij keerden met grote vreugde terug naar Jeruzalem"

Een voorstel voor het beleven van de roeping van de Kerk in het Heilige Land Zeer Geliefden,

Moge de Heer u vrede geven!

 

Gedurende deze jaren van pastoraal werk heb ik u, onze geliefde Kerk van Jeruzalem, op verschillende manieren toegesproken: door middel van preken, korte brieven en, bovenal, tijdens mijn pastorale bezoeken. Deze bezoeken waren in het bijzonder momenten van ontmoeting en uitwisseling met de gemeenschappen die het leven van de lokale Kerk, en ook mijn eigen leven, vormgeven. Ze hebben mij in staat gesteld ons bisdom beter te leren kennen en hebben concrete uitdrukking gegeven aan de eenheid tussen pastor en gemeenschap die de basis vormt van ons leven als Kerk.

De laatste tijd zijn we opnieuw in een tragische oorlog terechtgekomen, met alle gevolgen van dien voor ons dagelijks leven. Het heeft ons gedwongen de manier waarop en de middelen van onze bediening te heroverwegen, een bediening die ik zo trouw mogelijk heb geprobeerd uit te voeren. De dramatische tijden waarin we leven, verplichten ons allen om ons ijveriger in te zetten voor de armen, onrecht aan de kaak te stellen, aanwezig te zijn in onze gemeenschap en, bovenal, te bidden en te luisteren naar het Woord van God, altijd strevend naar eenheid en waarheid wanneer we voor Hem en elkaar staan.

In het licht van alles wat er gebeurt – en de impact die het heeft gehad en zal hebben op het leven van onze Kerk – voel ik de behoefte om een dieper woord en een uitgebreidere reflectie te bieden, een die aanzienlijk langer is. Deze brief is niet bedoeld om snel of oppervlakkig te lezen, noch om te worden gebruikt als een tekst voor politieke analyse. Hij wordt aangeboden als een brief om langzaam te lezen, als een instrument voor onderscheiding en ter bevordering van gesprek en reflectie binnen onze kerkelijke contexten, onze gemeenschappen, kloosters en gezinnen. Het doel is niet om onmiddellijke antwoorden of technische oplossingen aan te reiken, maar eerder om ieder mens te helpen reflecteren op hoe we ons christelijk geloof vandaag de dag in dit land kunnen beleven in het licht van het Evangelie.

Het is moeilijk om me te beperken tot de gebruikelijke uitspraken over de actualiteit, die elkaar vaak opvolgen en qua toon en inhoud vrijwel identiek zijn. Ik voel de dringende behoefte om iets te zeggen dat waarachtiger en wellicht betekenisvoller is. Ons gedeelde lijden in deze tijd staat ons immers niet toe ons te beperken tot zoete, abstracte woorden – woorden die geen geloofwaardigheid hebben. Evenmin kunnen we ons beperken tot wéér een analyse van de situatie of een veroordeling van een of ander onrecht.

Analyses en veroordelingen zoals deze zijn regelmatig gepubliceerd, en we hebben hier al veel over gezegd. Hoewel deze noodzakelijk blijven en we niet kunnen ophouden ze te publiceren, scheppen ze geen vertrouwenskader. Ook al zijn er mensen buiten onze gemeenschap die zich met deze beoordelingen identificeren, zij zijn niet voldoende. Deze uitspraken moeten vergezeld gaan van een reflectie op wat de Heer op dit moment van ons vraagt. Bovendien moeten we ons afvragen hoe we ons geloof in deze moeilijke context kunnen uitdrukken, zowel in woord als in daad. Deze vraag heeft mijn bediening als pastor begeleid: hoe kunnen wij, als christenen, als gemeente, onze weg vinden in deze conflictsituatie – politiek, militair, geestelijk – een conflict waarvan we vrezen dat het nog jaren zal voortduren? Dit conflict is een integraal onderdeel van het leven van onze kerk, net zoals van ons dagelijks bestaan. Helaas is het ook onderdeel geworden van de cultuur van dit land. Daarom is het conflict niet iets dat overwonnen moet worden, maar juist de plek waar onze kerk geroepen is om haar specifieke missie als gemeenschap van gelovigen in Christus te vervullen. In dit land waar de contouren van identiteit zo fel worden verdedigd, moet ons christelijk bestaan een getuigenis zijn van een specifieke manier van leven, zelfs te midden van conflicten, en moet het een zichtbare en herkenbare uitdrukking vinden in wat we zeggen en doen. We zijn

 

geroepen om vanuit een christelijk perspectief een begrip van deze tijd voor te stellen dat ons duidelijk en herkenbaar kenmerkt als christenen.

Met deze brief worstel ik met deze vraag. Het is de moeizame en pijnlijke vrucht – zoals elke poging tot spirituele synthese – van mijn reflectie en gebed, en van wat ik in de loop der tijd heb laten rijpen. Het is uiteraard geen perfecte synthese. Het moet eerder worden gezien als een eerste voorstel tot reflectie dat in de loop der tijd verder zal rijpen, zich zal verfijnen en voltooien, vooral door discussie, zelfs debat indien nodig, met anderen die deze poging tot synthese en herlezing van onze werkelijkheid willen aangaan. De enige voorwaarde voor deze uitwisseling is dat we allen gedreven worden door een oprecht verlangen om Gods wil voor ieder van ons te begrijpen. Hier verzamel ik, op een meer systematische en ordelijke manier, wat ik de afgelopen jaren al stukje bij beetje heb gepresenteerd.

Mijn reflectie zal citkrlrn om een bijbels icoon van de stad, en in het bijzonder de stad Jeruzalem. Het beeld van de stad is wijdverbreid en vertrouwd. Het symboliseert samenleven en relatie, zowel burgerlijk als religieus. We zullen ons niet richten op een algemeen idee van de stad, maar eerder op Jeruzalem als een ideaal referentiemodel, en we zullen in dit verband passages uit de Schrift aanhalen. Wij zijn de Kerk van Jeruzalem, en de Heilige Stad is niet alleen onze geografische locatie, maar ook het geestelijke hart van onze kerkelijke gemeenschap. Het is de plaats die de kern van ons geloof bewaart:

de Verlossing. Jeruzalem is daarom ook de geografische en geestelijke plaats die de identiteit van onze Kerk bewaart, het centrum waarnaar we terugkeren om de inspiratie te vinden die we in deze tijd nodig hebben. Onze Kerk heeft een veelzijdig gezicht, dat de rijkdom van haar riten en tradities uitdrukt. Van oorsprong tot op de dag van vandaag is de Kerk in wezen meervoudig geweest, aangezien Jeruzalem de moeder van alle volkeren is. Bovendien heeft ze eeuwenlang een duidelijke structuur gehad: een Kerk die overwegend geworteld is in een Arabische context. Onze blik op de gebeurtenissen die we meemaken begint daarom bij deze Kerk, verspreid over haar uitgestrekte grondgebied. Het is een blik die, juist omdat ze geworteld is in dit Land, ernaar streeft al haar inwoners te omarmen en in te sluiten.

Het is in de Heilige Stad dat elke individuele gemeenschap zichzelf kan herkennen - van de kleinste parochie tot de meest bevolkte in Jordanië, van de levendige realiteit in Cyprus tot de Hebreeuwssprekende gelovigen in Israël, van de beproefde parochies in Palestina tot de parochies die in Israël gevestigd en geworteld zijn, van de migranten en asielzoekers tot alle andere diverse realiteiten van ons bisdom. Jeruzalem is het spirituele model dat onze Kerk verenigt, ondanks onze verspreiding over zulke uiteenlopende gebieden en politieke situaties.

De brief is opgebouwd uit drie delen: het eerste deel begint met mijn beoordeling van de huidige chaos. Voordat we over idealen spreken, is het noodzakelijk om ons stevig te verankeren in de realiteit zoals die is, terwijl we Gods actieve aanwezigheid daarin erkennen.

In het tweede deel wil ik een visie voor onze gemeenschap delen, geïnspireerd en geworteld in de Schrift, in het bijzonder geworteld in Jeruzalem.

Het derde deel zal trachten diezelfde visie te vertalen naar pastorale implicaties voor onze kerkelijke gemeenschap, met aandacht voor de activiteiten van onze parochies, gezinnen, scholen en instellingen. Zoals ik al zei, is deze brief in de eerste plaats pastoraal van aard: hij bevat geen puur politieke overwegingen en analyses. Hij is alleen "politiek" in de ruimere zin, in die zin dat hij gaat over ons verblijf in de polis als christenen, dat wil zeggen, ons verblijf in onze reële wereld en in onze stad Jeruzalem, terwijl we altijd gericht blijven op de ware en definitieve polis, het hemelse Jeruzalem.

*-*-*

Deel I

De realiteit lezen: het heden beschouwen

Voordat we onze missie als gelovigen aanpakken, moeten we eerlijk kijken naar de context waarin we geroepen zijn te leven. We moeten beginnen bij de realiteit waarin we ons bevinden als we concreet antwoord willen geven op de vraag die ons door deze brief heen zal vergezellen: hoe kunnen wij als christenen leven te midden van dit conflict?

In een complexe realiteit zoals de onze is elke poging tot synthese per definitie onvolledig. Ik aanvaard het risico dat dit met zich meebrengt.

 

Ik ben niet van plan hier een chronologisch overzicht van de gebeurtenissen te reconstrueren. Ik probeer veeleer hun algehele betekenis te begrijpen. 7 oktober 2023 en de oorlog in Gaza betekenden iets anders en ontwrichtend voor elk van de twee volkeren die in dit land wonen. Voor de Palestijnen vertegenwoordigen deze gebeurtenissen een nieuwe dramatische fase in een lange geschiedenis van vernedering en ontheemding. Voor de Israëliërs daarentegen vertegenwoordigen deze gebeurtenissen iets zonder precedent, een geweld dat de gruwelen van tachtig jaar geleden in Europa weer tot leven heeft gewekt. Zonder in te gaan op dit debat, dat buiten ons bestek valt, willen we erop wijzen dat 7 oktober en de Gaza-oorlog nu grotendeels worden beschouwd als keerpunten die een tijdperk afsloten en een nieuw tijdperk inluidden, en dat op de slechtst denkbare manier.

In die zin zijn we in een "nasleep" beland die we maar moeilijk kunnen begrijpen, maar waarvan de contouren al zichtbaar zijn.

Wat we meemaken is niet slechts een lokaal conflict. Het lokale conflict is een symptoom van een veel diepere crisis, een wereldwijde paradigmaverschuiving. Decennialang geloofde de internationale gemeenschap, en met name de westerse wereld, in een internationale orde gebaseerd op regels, verdragen en multilateralisme. Niet zonder een vleugje hypocrisie verklaarde men dat het internationaal recht, de Geneefse Conventies en VN-resoluties, hoewel imperfect, noodzakelijke instrumenten waren om de co-existentie tussen volkeren te reguleren en de zwaksten te beschermen tegen de wet van de sterksten. Vandaag de dag lijkt iedereen zich bewust te zijn geworden van de zwakte in dit systeem, wat blijkt uit het onvermogen om deze conflicten te beheersen. In Israël en Palestina is, om verschillende en tegengestelde redenen, het vertrouwen in dit systeem al lang verdwenen.

We zien een hernieuwde afhankelijkheid van geweld als doorslaggevend middel om conflicten op te lossen, steeds meer gereduceerd tot bijna uitsluitend gewelddadige en militaire vormen, ten koste van alle andere wegen die gebaseerd zijn op recht, dialoog en verantwoordelijkheid tegenover burgers. Oorlog is het object geworden van een afgodische cultus: we gaan niet langer aan tafel zitten om conflicten te vermijden, maar beschouwen oorlog als een mogelijke, of zelfs onvermijdelijke, uitkomst. Burgers worden niet langer simpelweg beschouwd als nevenschade, maar deze schade wordt toegeschreven aan het feit dat de vijand zich niet overgeeft, of ze worden gezien als instrumenten die worden gebruikt om de doelen van de oorlog te bereiken. Oorlog dient als doel op zich. Sommige wereldmachten, die zich ooit presenteerden als garanten van de internationale orde, tonen nu een ander gezicht: ze kiezen partij, niet op basis van rechtvaardigheid, maar op basis van hun eigen strategische en economische belangen. Veel instellingen – burgerlijke, politieke, religieuze – blijven daardoor zwijgend en machteloos toeschouwers in het licht van deze nieuwe wereldwijde wanorde. De logica van afschrikking als instrument voor veiligheid, het terugvallen op het gebruik van wapens en geweld bij conflictbeheersing, en het concept van defensie zelf, roepen vandaag de dag diepgaande ethische en politieke vragen op: hun legitimiteit, de methoden van hun gebruik, de economische en maatschappelijke kosten, de concrete gevolgen voor de burgerbevolking, en nog veel meer.

Aan deze vragen voegen we een element toe dat niet over het hoofd gezien mag worden: het burgerlijk bewustzijn van volkeren, dat in de loop der tijd is gerijpt en diepgaand gevormd is door de assimilatie van de waarden van menselijke waardigheid, respect voor het leven en fundamentele rechten. Dit morele erfgoed, nu gegrift in het hart van hedendaagse samenlevingen, stelt elke politieke en militaire keuze ter discussie en stelt duidelijke grenzen aan het gebruik van geweld.

De geschiedenis van dit land, gekenmerkt door oude en terugkerende conflicten, leert ons ook dat het een illusie is te denken dat geweld, zelfs wanneer het op korte termijn noodzakelijk wordt geacht, alleen een duurzame oplossing kan bieden. Wanneer geweld de gangbare praktijk en het dominante criterium wordt, voedt het een geweldsspiraal die werkelijk moeilijk te stoppen is.

Dit geweld laat diepe wonden achter: materiële vernietiging en morele littekens die op toekomstige generaties drukken. Daarom, hoewel we de complexiteit van de keuzes waar autoriteiten voor staan niet mogen negeren, kunnen we niet vergeten dat geweld niet het ultieme doel kan zijn, noch de basis kan vormen voor een vreedzame toekomst.

 

De rol van de media is tegenwoordig centraler dan ooit. Enerzijds vormen ze het venster waardoor we informatie ontvangen uit anders ontoegankelijke gebieden. Anderzijds zijn ze het favoriete medium geworden voor het verspreiden van verhalen, die vaak tegenstrijdig zijn en steeds moeilijker te verifiëren. In een conflict zoals het huidige wordt de oorlog niet alleen op de grond uitgevochten, maar ook met woorden en beelden: elke foto, elke video, elke krantenkop kan een wapen worden. Er bestaat een reëel risico dat we ons vermogen tot waarnemen verliezen, dat we niet langer in staat zijn om onderscheid te maken tussen waarheid en fictie, tussen nieuws en propaganda.

Naast dit alles is er nog een ander element, misschien wel nieuwer en verontrustender. De aanhoudende oorlog heeft nog meer ethische vragen opgeroepen waar we niet op voorbereid zijn. Ik denk dan met name aan het gebruik van kunstmatige intelligentie in oorlogsvoering. Het gaat niet langer alleen om steeds geavanceerdere wapens of op afstand bestuurbare drones: we betreden een fase waarin algoritmes doelen selecteren en keuzes maken die tot voor kort uitsluitend door mensen werden gemaakt. Wat gebeurt er als een machine beslist wie leeft en wie sterft? Waar ligt de menselijke verantwoordelijkheid nog? Dit zijn nieuwe vragen, waarop we nog geen antwoorden hebben, maar die we ons niet langer kunnen veroorloven te negeren.

Ik wil niet dieper ingaan op deze complexe overwegingen. Ik wil slechts benadrukken dat dit nieuwe tijdperk ook ongekende vragen oproept die serieuze aandacht vereisen. Het moet gezegd worden dat de crises van het multilateralisme en van de instellingen, en al deze nieuwe vragen, geen intellectuele abstracties zijn, ver verwijderd van onze dagelijkse ervaringen. Integendeel, ze hebben een directe impact op het leven van onze gemeenschap; ze vormen het kader waarbinnen ons dagelijks leven de afgelopen jaren volledig uit de hand is gelopen, met diepgaand lijden tot gevolg. Ik heb mezelf bijvoorbeeld vaak afgevraagd hoeveel mensen er in de recente oorlogen in onze regio zijn omgekomen door "de beslissing van een algoritme"? Tegen deze achtergrond moeten we de ervaringen van ons bisdom bevragen.

 

Zonder volledig te willen zijn, laten we proberen enige orde te scheppen in de gevolgen van deze chaos voor ons allemaal door ze in vijf belangrijke gebieden te groeperen:

1.  Het verbreken van banden: pijn, haat en wantrouwen

De eerste breuk is het scheuren van het weefsel van menselijke relaties. Pijn – die altijd respect verdient –

is diep geworteld in de ziel van veel te veel mensen.

In het licht van de tragedies en onrechtvaardigheden van onze tijd is het gevoel slachtoffer te zijn een wijdverbreide reactie. Iedereen heeft de neiging zijn eigen beproeving als uniek en absoluut te beschouwen. Deze houding maakt het moeilijk om de ervaring van een ander te erkennen en beïnvloedt diepgaand hoe individuen en gemeenschappen leven en interpreteren wat er om hen heen gebeurt.

Het moet echter worden erkend dat de ervaring van slachtoffer zijn verschillende dingen kan betekenen, afhankelijk van de omstandigheden. Sommigen verliezen hun leven binnen de muren van hun huis, anderen sterven vechtend aan het front. Sommigen zien hun huizen verwoest tijdens een bombardement, anderen zijn getuige van het progressieve verlies van hun land jaar na jaar. Sommigen leven onder belegering, verstoken van essentiële goederen zoals voedsel en medicijnen, terwijl anderen de constante angst voor terroristische aanslagen onder ogen zien. Pijn is altijd pijn, en het is niet onze bedoeling om lijden te rangschikken. Hoewel we de diverse omstandigheden respecteren en hun complexiteit erkennen, kunnen we ze niet allemaal als identiek beschouwen. Er is een verschil tussen degenen die macht uitoefenen en degenen die eronder lijden, tussen degenen die regeren en degenen die geregeerd worden, tussen degenen die wapens bezitten en degenen die erdoor bedreigd worden, tussen degenen die bezetten en degenen die bezet worden. De verantwoordelijkheden zijn verschillend. Het erkennen van dit verschil is een daad van respect voor rechtvaardigheid en waarheid.

Haat heeft diepe sporen achtergelaten. We zijn getuige van een pijnlijke ontmenselijking van de ander: wanneer ze slechts "de vijand" worden, wordt alles geoorloofd. Geweld heeft niet alleen steden en huizen, mensen en hoop verwoest, maar het heeft ook gewetens getekend, het publieke debat vergiftigd en een gevoel van verraad gegenereerd, zelfs met betrekking tot idealen die men dacht te delen. Het heeft een

 

cyclus gecreëerd van slachtoffers die tegen andere slachtoffers strijden, die na verloop van tijd de geest verhardt en het steeds moeilijker maakt om wegen naar verzoening te openen.

Politiek! Het leven en de maatschappelijke instellingen lijken niet in staat een langetermijnvisie te koesteren die perspectief biedt, in plaats van de verwarring en het scepticisme te vergroten in een context die wordt gedomineerd door wantrouwen. En daarom worden velen – vooral jongeren – wantrouwig ten opzichte van elke mogelijkheid tot samenleven en ten aanzien van het geloof in een geloofwaardig alternatief voor de spiraal van conflict en onrecht.

Sinds het begin van de oorlog is de economische situatie overal verslechterd. Door de afwezigheid van pelgrims zijn honderden gezinnen werkloos geraakt. De afsluiting van de Palestijnse gebieden heeft vele anderen lamgelegd. Gemeenschappen worstelen met het maken van plannen. Jongeren verloven zich niet, trouwen minder vaak en krijgen minder kinderen. Ook de woningcrisis voor gezinnen wordt steeds nijpender. Velen kijken naar het buitenland en dromen van een toekomst ver van hun thuisland. Emigratie, een oude wond, wordt vandaag de dag dieper dan ooit heropend.

Wanneer de noodkreet van de lijdenden ongehoord of onbeantwoord lijkt te blijven, bestaat de verleiding om het geloof te verliezen, zelfs binnen geloofsgemeenschappen, die juist de stem van de zwaksten zouden moeten zijn, het geloof zelfs in God.

Het zou echter oneerlijk zijn om bij deze sombere beschrijving van de problemen die de realiteit aan het licht brengt, te blijven steken. Juist in die leemte, in het vacuüm dat door politiek en wetgeving is achtergelaten, zijn verenigingen, bewegingen en burgerinitiatieven nooit gestopt met hun werk. Ze doen dat niet vanuit een naïeve roeping tot dialoog, maar vanuit een koppige vasthoudendheid, vanuit de overtuiging dat anderen gewoon mensen zijn. Dit is niet de plek om ze allemaal op te sommen, en het is niet nodig om een hagiografie te schrijven. Zij vormen echter de fragmenten van de concrete menselijkheid, waaruit het project van een mogelijke co-existentie kan voortkomen. Als en wanneer we uit het puin herrijzen, zullen zij – en niet de grote internationale organisaties in crisis – de architecten van de wederopbouw zijn. Het fiasco van het internationale systeem heeft tenminste de verdienste dat het de zichtbaarheid en waardigheid heeft hersteld van degenen die nooit waren gestopt met werken in het veld.

 

2.  Fragmentatie/Versnippering en angst. De verleiding van enclaves

Naast het verbreken van banden is er een zorgwekkend fenomeen: toenemende polarisatie. Niet alleen tussen Israëliërs en Palestijnen – wat we goed kennen – maar ook binnen de sociale structuren van beide samenlevingen. Mensen trekken zich steeds meer terug in gesloten groepen, in sociale enclaves waar alleen gelijkgestemden samenkomen, mensen die dezelfde taal spreken en dezelfde angsten delen. Deze trend wordt verder versterkt door algoritmes van sociale media, die gebruikers constant content voorschotelen die hun al bestaande overtuigingen bevestigt, waardoor de echo van hun eigen standpunten wordt versterkt en de kloof in wantrouwen, angst en achterdocht tussen groepen groter wordt.

Angst en radicalisering leiden tot fragmentatie en isolatie. Mensen trekken zich terug in hun eigen groep alsof het een schuilplaats is. Ze stoppen met omgaan met mensen die anders zijn, die anders denken, die tot een andere gemeenschap, een ander geloof of een andere politieke factie behoren. Parallelle bubbels vormen zich die niet met elkaar communiceren. Deze polarisatie is schadelijk omdat ze de manier beïnvloedt waarop elke groep de fundamenten van haar verbondenheid opbouwt, zowel nationaal, sociaal als persoonlijk. We definiëren onszelf steeds meer door tegenstellingen: wij zijn wat de ander niet is. In dit spiegelspel wordt identiteit rigide, defensief en exclusief. Het is alsof er geen "wij" meer bestaat dat iedereen omvat, maar slechts vele kleine "wij" die tegenover elkaar staan. Wanneer het "wij" wordt gereduceerd tot tegengestelde identiteiten, wordt het gemakkelijk om de ander te simplificeren en als een uniform blok te beschouwen. In elke samenleving bestaan echter verschillende stemmen en standpunten, en de verleiding weerstaan om hele bevolkingsgroepen als monolithische entiteiten te beschouwen, is een noodzakelijke eerste stap in het herstellen van relaties.

Een gevoel van gemeenschapszin is echter niet per se negatief, omdat elke gemeenschap wordt gekenmerkt door haar eigen fysionomie, een specifieke missie en een bijzonder charisma. Dit is een schat

 

in het unieke mozaïek van het Heilige Land en moet bewaard blijven, maar alleen op voorwaarde dat deze kwaliteiten zich niet manifesteren ten nadele van anderen of instrumenten van verzet worden.

Vanuit dit perspectief laat het christelijke leven, geworteld in een solide fundament, zien hoe verbondenheid sterk kan zijn zonder star of defensief te worden, en hoe juist de diepte van de identiteit openheid naar anderen mogelijk maakt. Op deze manier kan het 'wij' weer inclusief worden, in staat om verschillende groepen te verenigen zonder ze te reduceren tot tegengestelde identiteiten.

3.  Het gevoel van verlies: uitgeholde woorden en het algemeen belang overschaduwd

Het derde belangrijke punt is het meest ingrijpende: het verlies van de coördinaten die ons in staat stelden ons te oriënteren. We hebben het vertrouwen in bepaalde woorden verloren. "Samenleven", "dialoog", "rechtvaardigheid", "mensenrechten", "twee volkeren en twee staten": deze termen, die jarenlang ons discours hebben gevoed, lijken nu uitgehold en betekenisloos. Wanneer we ze in onze gemeenschappen gebruiken, stuiten we soms op vermoeide en gedesillusioneerde blikken. Geconfronteerd met de gruwel van de beelden die we dagelijks te zien krijgen, lijken deze uitdrukkingen werkelijk tot een andere wereld te behoren. We staan dan sprakeloos, en in die stilte schreeuwt het geweld zijn brute taal.

Daarnaast heeft het concept "algemeen belang" zijn betekenis verloren. We worstelen met het beantwoorden van fundamentele vragen zoals: wat voor soort samenleving willen we creëren? Wat is het goed dat we samen willen nastreven, voorbij partijbelangen?

In dit land lijkt iedereen het algemeen belang te hebben opgeofferd aan partijpolitieke belangen, zij het op verschillende manieren. Het lijkt alsof iedereen alleen aan zichzelf denkt, aan zijn eigen overleving, aan zijn eigen veiligheid, in een voortdurende existentiële oorlog op steeds verder verwijderde fronten.

De realiteit spreekt echter de sterkste taal. Deze realiteit, die veel verder reikt dan wat we denken, voelen of geloven, herinnert ons eraan dat we voorbestemd zijn om manieren te vinden om samen te leven. Er is geen alternatief. Dit land – even betwist als geliefd – is het thuis van iedereen: Joodse Israëliërs en Palestijnse Arabieren; christenen, joden, moslims, druzen, samaritanen, bahai's en mensen van andere geloofsovertuigingen. God heeft ons hier geplaatst. Wij christenen hebben in het bijzonder een precieze opdracht: zout en licht zijn waar we ook zijn. En dat betekent dat we niet moeten opgeven om mogelijkheden te creëren voor interactie tussen verschillende nationale en religieuze gemeenschappen, want wanneer woorden niet meer volstaan, zijn concrete daden nodig.

 

4.  De specifieke uitdaging van het Heilige Land: interreligieuze dialoog in moeilijkheden

Een ander moeilijk aspect betreft de relaties met andere geloofsgemeenschappen. De interreligieuze dialoog – die al jaren centraal staat in onze missie – verkeert in moeilijkheden. Dit komt niet doordat we zijn gestopt met elkaar te ontmoeten. Integendeel, de basis voor ontmoetingen is aangetast door wat we tot nu toe hebben beschreven: wantrouwen, desillusie en vermoeidheid.

We hebben te maken gehad met schijnbaar onverenigbare historische verhalen, waarin elke partij een monopolie claimt op de interpretatie van de gebeurtenissen. We hebben ons niet gesteund of gehoord gevoeld door de ander. Het is een grote chaos, die ons diep raakt.

De heilige plaatsen, die gebedsruimten zouden moeten zijn, worden strijdtonelen over identiteit. Heilige teksten worden ingeroepen om geweld, bezetting en terrorisme te rechtvaardigen. Ik geloof dat dit misbruik van Gods naam de ernstigste zonde van onze tijd is. Veel religieuze instellingen lijken deze tendensen eerder te onderschrijven dan te beteugelen en te veroordelen, waarmee ze hun gebrek aan profetische kracht tonen.

Ondanks dit alles is dialoog voor ons christenen meer dan een optie, dialoog is een essentiële noodzaak. Onze kinderen – christenen en moslims – gaan samen naar school, onze zieken worden in dezelfde ziekenhuizen behandeld, waar geen onderscheid wordt gemaakt op basis van religieuze overtuiging, of ze nu joods, christelijk, moslim of van een ander geloof zijn. Onze armen hebben dezelfde behoeften. Zonder relaties met andere geloofsgemeenschappen hebben we geen toekomst. De uitdaging gaat echter dieper: dialoog is onze roeping en onze bestemming. Het is een van de manieren waarop ons geloof zich manifesteert en wordt gevoed.

 

5.  Het veelzijdige gezicht van onze lokale kerk in deze beroering

Onze kerkgemeenschap leeft in deze context van algemene desoriëntatie. We zijn een kerk die zich uitstrekt over diverse gebieden – Israël, Palestina, Jordanië en Cyprus – elk met zijn eigen geschiedenis en dynamiek. De politieke situatie is niet uniform, noch is er één enkele pastorale context. Verschillende omstandigheden vragen allemaal aandacht. Deze complexiteit vormt zowel onze rijkdom als onze uitdaging. Het is onze plicht om niet te generaliseren, noch in abstracte termen te spreken, maar altijd de geleefde ervaringen van gemeenschappen in hun thuisland op verschillende plaatsen voor ogen te houden. Dit verplicht ons om op een genuanceerde manier te luisteren en pastorale actie te ondernemen die is afgestemd op de behoeften van elke regio.

Laten we nu eens kijken naar het concrete gezicht van onze Kerk in deze zeer moeilijke tijden:

In Gaza leven onze broeders en zusters in extreme nood. Ze hebben jarenlang onder bommen geleefd, zonder water, zonder voedsel, zonder medicijnen. En nu leven ze in het puin. We hebben jongeren, ouderen en kinderen verloren. Toch zijn de parochies van de Heilige Familie en Caritas het gezicht van Christus te midden van de verschrikkingen geweest en blijven dat ook. In kerken die zijn omgebouwd tot opvangcentra hebben honderden ontheemden het leven met elkaar gedeeld.

In Palestina verslechtert de situatie met de dag. We hebben hier al uitgebreid over gesproken, maar er is nog steeds geen rust in zicht. Hier wordt de toekomst van het Israëlisch-Palestijnse conflict in stilte en structureel bepaald. De agressie als gevolg van de bezetting en de totale afwezigheid van de rechtsstaat neemt toe, naarmate de nederzettingen zich blijven uitbreiden. Als deze trend niet wordt gestopt, dreigt een permanente bezetting, die elke mogelijkheid tot een rechtvaardige, wederzijds overeengekomen oplossing ondermijnt. Ik vrees dat dit een grote zorg zal worden, die de basis zal vormen voor onze samenwerking voor lange tijd.

In Israël leven onze broeders en zusters in een andere context, maar niet zonder eigen uitdagingen: sociale discriminatie, economische ongelijkheid en toenemende onveiligheid. De stijgende criminaliteit – die in bepaalde gebieden het hele grondgebied domineert, met dagelijks doden en gewonden – creëert wijdverspreide angst die de verleiding voor velen om te vertrekken vergroot. De Israëlische samenleving is getraumatiseerd sinds 7 oktober 2023, en dit trauma heeft geleid tot wantrouwen tegenover alles wat met de Arabische wereld te maken heeft, met als gevolg een groeiend wantrouwen tussen de Joodse en Arabische bevolking.

De Hebreeuwssprekende katholieke gemeenschap heeft zich in dit polariserende conflict niet altijd gehoord gevoeld door haar eigen Kerk en heeft dit duidelijk laten blijken. Onze Hebreeuwssprekende katholieke broeders en zusters ervaren een bijzondere eenzaamheid binnen de Kerk. Ze maken deel uit van een Kerk waarin ze zich niet volledig thuis voelen. De komende maanden zal ik gelegenheden zoeken om persoonlijk met dit deel van ons bisdom in contact te komen om beter naar hen te luisteren.

Migranten en asielzoekers die tot onze gemeenschappen behoren, leven in een situatie van existentiële onzekerheid, vrezen deportatie en worden geconfronteerd met discriminatie en uitbuiting. Ook zij zijn betrokken geraakt bij het geweld van het conflict, en sommigen zijn de afgelopen jaren bij verschillende aanslagen omgekomen.

Onze scholen, plaatsen van samenleven en een waardevol onderdeel van de Kerk, hebben het ook moeilijk om leerlingen de juiste begeleiding te bieden. Leraren en leerlingen in Bath dragen de last van wat ze op televisie en sociale media zien mee naar de klas; ook voor hen is het voeren van een dialoog over de meest controversiële onderwerpen op zijn zachtst gezegd een uitdaging geworden.

Ondanks deze ontreddering blijft onze vastberadenheid om een broederlijke samenleving op te bouwen onverminderd groot, en onze christelijke gemeenschappen blijven een tastbaar teken van hoop. In Gaza blijft het geloof licht brengen in het leven van de lokale christenen. De dagelijkse viering van de Mis, het bidden van de rozenkrans en het liefdadigheidswerk van de parochie en Caritas houden het christelijk geloof levend. Duizenden gezinnen hebben dankzij de inzet van de parochie en Caritas hulp en steun kunnen ontvangen, zelfs tijdens de moeilijkste momenten van de oorlog. In Palestina hebben onze

 

parochiepriesters hun gemeenschappen georganiseerd en verenigd, en initiatieven voor steun en solidariteit opgezet, met name voor de gezinnen die het het moeilijkst hebben. Ook in Israël sparen priesters zichzelf niet tijdens de zwaarste periodes van de oorlog. In Jordanië gaat het leven relatief normaal door, en ondanks de economische crisis hebben parochies zich ingezet voor het organiseren van collectes voor de armen, gebedswakes en rozenkransen uit solidariteit met de parochies van het bisdom die het momenteel moeilijk hebben. Cyprus, dat onlangs ook door deze oorlog is getroffen, heeft zich eveneens solidair verklaard en versterkt zijn pastorale activiteiten.

Een belangrijk aspect hiervan is dat de gehele universele Kerk, van paus Franciscus tot paus Leo XIV, tot aan de kleinste en armste bisdommen, haar nabijheid heeft getoond door gebeden en materiële steun aan onze Kerk in het Rotsland aan te bieden. We willen iedereen bedanken die heeft gewerkt – en blijft werken – om ons in staat te stellen de vele noden van deze tijd te blijven vervullen; we willen hen bovenal bedanken voor hun genegenheid en christelijke nabijheid, die ons troost en opbouwt. De actie van de gehele Kerk heeft aangetoond dat hoop onwrikbaar is. Inderdaad, talloze gebeden zijn georganiseerd, er zijn solidariteitsacties gehouden en er hebben vele andere concrete uitingen van saamhorigheid plaatsgevonden.

In het licht van dit alles moeten we een ander belangrijk aspect van onze missie echt onder de loep nemen. Het is waar dat we in deze tijd in het hele bisdom aanwezig zijn geweest met gebaren van nabijheid en solidariteit. Onze Kerk heeft haar stem laten horen en geprobeerd een woord van waarheid te spreken – eerlijk, duidelijk, met parrhesia (durf) – zelfs te midden van deze chaos, vaak ten koste van misverstanden. Maar ik vraag me af: is dit genoeg geweest? Of hebben we in deze meest uitdagende periode soms gekozen voor voorzichtigheid en institutioneel overleven, ten koste van ons profetisch getuigenis? Hoe kunnen we een woord van waarheid spreken zonder nieuwe barrières en nieuwe slachtoffers te creëren? Het is een vraag die me elke dag bezighoudt en die nooit gemakkelijk te beantwoorden is. We moeten onszelf deze vraag oprecht stellen, allereerst voor de Heer, wetende dat onderscheidingsvermogen betekent luisteren naar Gods stem, ons bekeren tot de waarheid, gerechtigheid zoeken en het welzijn van onze broeders en zusters kiezen.

Dit is onze situatie: een dal van tranen, van berusting, van lege woorden... en toch ook vol moedige levenservaringen en broederschap. Het is in deze chaos dat we worden uitgenodigd om opnieuw de stem van God te herkennen die ons roept.

Geconfronteerd met deze chaos is de cruciale vraag niet hoe we eraan kunnen ontsnappen of hoe we het kunnen oplossen, maar hoe we er als gelovigen in kunnen leven, zonder ons te laten opslokken door de logica ervan en zonder de verantwoordelijkheid van het evangelische getuigenis op te geven. Daarom is het tijd om onze blik op te heffen en ons af te vragen wat de Heer ons in dit alles wil zeggen, en ons te laten leiden door een licht dat van boven komt. We moeten Gods droom voor Zijn Stad overdenken.

Deel II

Roeping: Gods droom genaamd Jeruzalem

Na een algemene – en onvermijdelijk ruwe – blik op onze gemeenschappelijke maar gevarieerde realiteit te hebben geworpen, keren we nu terug naar de oorspronkelijke vraag: hoe kunnen we ons geloof in deze conflictsituatie uitdrukken en beleven? We kunnen dit nu herformuleren als: wat is Gods wil voor Jeruzalem? Laten we samen proberen het beeld van de Heilige Stad dat God ons biedt te onderzoeken.

Vanaf de allereerste bladzijden in het boek Genesis, biedt de Schrift de basis voor de relatie zoals God die bedoeld heeft: tussen Hem en de mensheid, tussen mensen onderling en tussen de mensheid en de schepping. Deze basis vormt het begin van de hele heilsgeschiedenis. Bovenal is het echter het perspectief van het boek Openbaring dat ons in deze reflectie leidt. Dit boek, dat vaak verkeerd begrepen wordt – vooral vanwege de symbolische taal – is niet bedoeld om angst of fatalistische interpretaties van de geschiedenis te bevorderen, maar eerder om ons te helpen de uiteindelijke betekenis te herkennen in het licht van Gods trouw en christelijke hoop.

Volgens de Schrift begint de menselijke geschiedenis in een tuin: Eden. De tuin symboliseert een mensheid die zich nog in een staat van oorspronkelijke onschuld en uiteindelijk eenzaamheid bevindt. Aan het einde

 

van het boek Openbaring eindigt het verhaal echter met een compleet andere, spiegelende setting: een stad. Niet zomaar een stad, maar het nieuwe Jeruzalem. Deze overgang is niet slechts een detail in het verhaal, maar een diepgaande openbaring over het lot van de mensheid. Het verlossingswerk is geen terugkeer naar een idyllisch en geïsoleerd verleden, maar de opbouw van een gemeenschappelijke, complexe en verzoende toekomst. Het einde van het verhaal wijst naar een volwassen samenleving – een 'stad', om precies te zijn.

De eerste stad die in de Bijbel wordt genoemd, wordt gebouwd door Kaïn (Genesis 4:17). Nadat hij zijn broer heeft gedood, bouwt hij een toevluchtsoord: een plek die bedoeld is om een grens te stellen aan geweld, waar hij kan proberen de verloren broederlijke relaties te herstellen. In de Schrift ontstaat de stad dus als een menselijke poging om het samenleven te herstellen waar relaties verbroken zijn. De laatste stad in de Bijbel is daarentegen het Nieuwe Jeruzalem dat uit de hemel neerdaalt (Openbaring 21-22).

Tussen deze twee polen – de stad als toevluchtsoord, gebouwd door de mensheid uit angst, en de stad als geschenk dat uit liefde van God neerdaalt – ontvouwt zich het hele verhaal van de verlossing. De Bijbel schetst nooit een ideaal, statisch beeld van een stad; de 'perfecte' stad bestaat niet. Het is altijd een spiegel van alle menselijke tegenstrijdigheden: van zonde en grootsheid, van geweld en vertrouwen. Elke menselijke context, elke stad, weerspiegelt en ervaart deze spanning.

Deze spanning loopt als een rode draad door de Schrift en is uniek gericht op Jeruzalem. Geen andere stad in de Bijbel ontvangt zoveel liefde en zoveel berisping, zoveel belofte en zoveel veroordeling. Dezelfde spanning, zoals we zullen zien, is ook aanwezig in de Kerk die in Jeruzalem is ontstaan.

Wanneer we het vandaag de dag over Jeruzalem hebben, richten we ons vooral op de politieke, historische en sociologische aspecten. Maar we mogen nooit vergeten dat wat de hele wereld met deze plek verbindt, verder reikt dan geschiedenis, geografie en stenen. Wanneer we in deze context spreken over de Heilige Stad, bedoelen we haar niet alleen als een fysieke realiteit, maar ook – en vooral – als een symbool van het Volk van God en de Kerk, geboren met Pinksteren in de Bovenzaal. Op dat moment daalde de Heilige Geest neer op de Twaalf, dat wil zeggen op de hele apostolische vergadering die bijeen was gekomen in de kamer waar Jezus de Eucharistie had ingesteld. Het was op die Pinksterochtend dat het wonder plaatsvond dat beschreven wordt in de Handelingen der Apostelen. De discipelen, die de Geest hadden ontvangen, gingen het plein op om te vertellen wat er gebeurd was, en "ieder hoorde hen spreken in zijn eigen moedertaal.

Verbaasd en verwonderd vroegen ze: 'Zijn al deze mensen die spreken dan geen Galileeërs? En hoe komt het dat wij, ieder van ons, hen in onze eigen moedertaal horen spreken?'" (Handelingen 2:6-8).

Alle aanwezigen, afkomstig uit verschillende landen en met verschillende talen, konden door de werking van de Geest elkaar begrijpen en eenheid opbouwen. De Kerk was van meet af aan universeel, verenigd en divers. Van daaruit trokken de Twaalf eropuit om de verkondiging van het Goede Nieuws over de hele wereld te verspreiden.

Ook vandaag de dag behoudt de christelijke gemeenschap in Jeruzalem haar universele karakter, wat niet verward moet worden met een louter 'internationale' dimensie, maar eerder wijst op een diepere realiteit, zoals geïllustreerd in de Handelingen der Apostelen. De meeste kerken hebben hun kerkcentra nog steeds elders in de wereld, maar elk behoudt zijn hart en een levende aanwezigheid in Jeruzalem. In deze stad delen de verschillende christelijke denominaties ruimte en tijd, wat resulteert in een onvolmaakte maar vitale reis naar de eenheid van gelovigen. Door middel van verschillende riten en talen, gevierd op dezelfde plaatsen en beleefd binnen onze gezinnen, bieden deze kerken een levend beeld van wat er in Jeruzalem gebeurde op de dag van Pinksteren: verschillende volken bijeengebracht in dezelfde Geest. Net zoals de apostelen destijds eropuit trokken om het evangelie aan alle volken te verkondigen, zo worden deze gemeenschappen, geworteld op dezelfde plek en vaak binnen dezelfde families, vandaag de dag geroepen om de volledige gemeenschap in geloof en liefde te herontdekken.

Voor gelovigen impliceert de band met dit Land ook een fundamentele relatie, hoe complex ook, met zowel het jodendom als de islam. Hier is de interreligieuze dialoog door de eeuwen heen niet alleen een voorwaarde voor overleving geworden, maar ook een element van trouw aan onze universele identiteit. Het is hier dat de Moederkerk wordt uitgedaagd om leven en zorg te genereren, begrip voor anderen te

 

bevorderen, de veeleisende praktijk van vergeving te stimuleren en zich in te spannen voor respectvol begrip.

De universaliteit van de Kerk staat niet haaks op de concreetheid van de lokale Kerk en gemeenschappen. Integendeel, juist in de lokale Kerk wordt de universaliteit zichtbaar en werkzaam. Daarom sprak Sint Johannes Paulus II over een "wederzijdse innerlijkheid" tussen particuliere Kerken en de universele Kerk. Niet alleen de Kerk, maar ook de Heilige Stad zelf heeft dit universele karakter behouden. Paus Benedictus XVI beschreef het zeer helder in een homilie in Jeruzalem:

"Jeruzalem is immers altijd een stad geweest waarvan de straten weergalmen van verschillende talen, waarvan de stenen betreden worden door mensen van elk ras en elke taal, en waarvan de muren symbool staan voor Gods voorzienige zorg voor de hele mensheid. Als microkosmos van onze geglobaliseerde wereld moet deze stad, wil ze haar universele roeping waarmaken, een plaats zijn die universaliteit, respect voor anderen, dialoog en wederzijds begrip predikt; een plaats waar vooroordelen, onwetendheid en de angst die eraan ten grondslag ligt, worden overwonnen door eerlijkheid, integriteit en het streven naar vrede. Binnen deze muren mag geen plaats zijn voor bekrompenheid, discriminatie, geweld en onrecht. Gelovigen in een barmhartige God – of ze zich nu identificeren als Joden, christenen of moslims – moeten de eersten zijn die deze cultuur van verzoening en vrede bevorderen, hoe moeizaam het proces ook mag verlopen en hoe zwaar de last van herinneringen uit het verleden ook mag zijn." (Benedictus XVI, Josafatvallei, Jeruzalem, 12 mei 2009).

De missie van het aardse Jeruzalem is, in zekere zin, het beeld en de spiegel te worden van het hemelse Jeruzalem, "een profetie en belofte van die universele verzoening en vrede die God voor de hele mensheid wenst" (Benedictus XVI, ibid.). Dit is de missie die we in de gewelddadige maalstroom van gebeurtenissen in de afgelopen jaren uit het oog zijn verloren. En het is naar deze missie dat we moeten terugkeren.

Kortom, Jeruzalem is een symbolische microkosmos op het kruispunt van beschavingen, religies en etniciteiten. Het is een paradigma van de wereld als geheel en omvat daarmee veel van de hedendaagse problemen waarmee we wereldwijd worden geconfronteerd. Hoewel het centraal staat in het Israëlisch-Palestijnse conflict, vertegenwoordigt het ook de complexe interacties tussen verschillende religies en naties. Het conflict dat alleen al deze stad verdeelt, heeft aanzienlijke regionale en mondiale gevolgen. Een wandeling door de straten van Jeruzalem laat zien hoezeer de stad in werkelijkheid een brandpunt is voor vele andere wereldwijde botsingen: de spanning tussen moderniteit en traditie, liberale democratie en conservatisme, universalisme en particularisme.

Jeruzalem belichaamt ook de diverse geesten van onze Kerk en is een voorbeeld van haar roeping. Op deze plek, in een realiteit die gekenmerkt wordt door sterke contrasten – kenmerkend voor de menselijke geschiedenis – is de Kerk geroepen om zichzelf uit te drukken.

De krachtigste beelden in de Schrift die de diepe identiteit van Jeruzalem, en bijgevolg de identiteit en missie van onze Kerk, onthullen, zijn te vinden in Johannes' visioen van het hemelse Jeruzalem, beschreven in de laatste twee hoofdstukken van Openbaring, waaruit wij nu onze inspiratie putten.

 

1.  Een nieuwe hemel voor een nieuwe stad

"Toen zag ik een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan, en de zee was er niet meer." (Openbaring 21:1)

Het eerste wat Johannes ziet, is niet de stad, maar een "nieuwe hemel". Jeruzalem heeft een hemel. Dit klinkt misschien banaal of voor de hand liggend, maar het is het meest welsprekende onderscheidende kenmerk. De tegenpool, Babylon, wordt in Openbaring ook tot in detail beschreven. Maar in Babylon is de hemel nooit te zien. Het is een stad zonder hemel, en dus zonder God - ingesloten binnen een puur menselijke en aardse horizon, en daardoor gedoemd tot ondergang.

De hemel van Jeruzalem is bovendien heel bijzonder: het is een 'nieuwe' hemel. Dit is niet de eerste keer dat Johannes over de hemel spreekt. In hoofdstuk 4 van Openbaring beginnen de visioenen met een belangrijke aankondiging: de ziener ziet een open deur in de hemel (Openbaring 4:1). De hemel is dus nieuw, allereerst omdat hij open is. Hij werd geopend omdat de Mensenzoon, die uit de hemel was

 

neergedaald, na de opstanding naar de hemel terugkeerde en de mensheid met zich meenam (vgl. Johannes 1:51). De nieuwe hemel is een hemel die al door de mensheid wordt bewoond.

In deze passage vinden we een belangrijke aanwijzing: om de stad te bouwen, om authentieke relaties te smeden tussen onszelf en onze gemeenschappen, moeten we beginnen met een besef van Gods aanwezigheid, van Gods primaat, van geloof. God mag niet worden uitgesloten. Jeruzalem is niet alleen een kwestie van politieke grenzen of technische aspecten. De belangrijkste identiteit van de stad - het meest kenmerkende aspect van de stad en van het hele Heilige Land - is dat het de plaats van Gods openbaring is, de plaats waar geloofsovertuigingen zich thuis voelen.

Ook vandaag de dag is deze dimensie tastbaar en zichtbaar, vooral in wat beschouwd wordt als het Heilige Bekken, waar bijna alle belangrijke heilige plaatsen geconcentreerd zijn: de Oude Stad en de Olijfberg. De openbare vieringen van de verschillende religieuze gemeenschappen, die op verschillende en soms overlappende tijdstippen plaatsvinden, transformeren de stad, vooral in bepaalde periodes van het jaar, en resulteren in een buitengewone symfonie van verschillende gebeden, liederen en liturgieën.

Het is ook gebruikelijk om bij het eerste ochtendlicht of in de stilte van de nacht mannen en vrouwen van alle leeftijden - Joden, christenen en moslims - te ontmoeten die door de straten van de stad lopen, gehuld in hun verschillende gewaden, op weg naar hun respectievelijke heilige plaatsen, om zich aan te sluiten bij de religieuze mannen en vrouwen die daar dag en nacht bidden. De gebeden van de verschillende religieuze gemeenschappen bepalen uiteindelijk het ritme van de hele stad: ze zijn haar adem en haar licht. Dit is de mooiste en meest boeiende identiteit van de stad, haar meest waardevolle kenmerk, dat gekoesterd en bewaard moet worden.

Het negeren van deze "verticale" dimensie van ons land, de religieuze en spirituele gevoeligheid van de gemeenschappen die er deel van uitmaken - Joods, Moslim en Christelijk - is de diepste reden voor het mislukken van de overeenkomsten over het behoud van de status quo die de afgelopen decennia zijn gesloten. Ook toekomstige overeenkomsten zullen gedoemd zijn te mislukken als het specifieke, profetische karakter van Jeruzalem niet in acht wordt genomen. Het moet in de eerste plaats een huis van gebed zijn voor alle volken (vgl. Jesaja 56:7). We willen de noodzaak van de verschillende bestaande status quo-akkoorden, die belangrijk zijn voor het reguleren van de relaties tussen de verschillende gemeenschappen in de stad, niet ter discussie stellen, maar juist bevestigen. Ik geloof echter dat er ook behoefte is aan de moed om een nieuwe visie te omarmen, om nieuwe modellen van leven en relaties te bouwen waarin het gemeenschappelijke geloof in God een gelegenheid tot ontmoeting wordt in plaats van uitsluiting. Geloof opent onze ogen voor de hemel en de wereld, waar alle gelovigen zich geroepen voelen om de mensheid tot God te brengen.

Geen enkel project van samenleven in het Heilige Land kan de verticale dimensie negeren, het besef dat dit land in de eerste plaats de plaats van de Openbaring is.

2.  Een stad die uit de hemel neerdaalt

"En ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel van God neerdalen, toegerust als een bruid, versierd voor haar man... En in de geest voerde Hij mij weg naar een grote, hoge berg en toonde mij de heilige stad Jeruzalem, die uit de hemel van God neerdaalde." (Openbaring 21:2, 10)

De heilige stad rijst niet trots op eigen kracht naar de hemel. Johannes ziet haar "uit de hemel van God neerdalen", en hij ziet haar tweemaal neerdalen (driemaal als we ook Openbaring 3:12 in ogenschouw nemen). Deze neerdalende beweging is niet iets dat eenmalig gebeurde, maar is haar voortdurende bestaanswijze. Het nieuwe Jeruzalem is een stad die voortdurend van God zelf ontvangt en haar eigen leven. Haar bestaan is geen verovering, maar een geschenk.

Zij daalt neer "bereid als een bruid, versierd voor haar man." Dit is een beeld van intimiteit en verbondenheid. Johannes gebruikt ook het Bijbelse beeld van de tent, waar God ervoor kiest om onder de mensen te wonen, een plaats van ontmoeting tussen God en de mens (vgl. Joh. 1:14). Het is dus een stad waarvan de meest oorspronkelijke aard is om diepe intimiteit met de Heer te ervaren, maar ook om, net als de tent, een plaats van welkom te zijn. Deze tweeledige beweging – intimiteit en welkom – definieert het leven van de Kerk. In Gods woning onder zijn volk vindt vervulling plaats en wordt de overwinning

 

behaald op het kwaad en de dood: niet alleen wordt het kwaad overwonnen, maar de mensheid wordt getroost door God zelf, die de tranen van de ogen afveegt (vgl. Openb. 21:4).

Deze passage geeft ons nog een belangrijke aanwijzing. Dit is een cruciale waarschuwing, vooral voor de religieuze instellingen van de Heilige Stad: zonder een voortdurende "neerdaling uit de hemel", dat wil zeggen, zonder nederig en constant een relatie met God te onderhouden, God ons denken te laten verlichten, zonder ons voortdurend te voeden met het Woord van God, dreigen onze instellingen te verzwakken. Ze dreigen onneembare forten te worden, afgesloten van de wereld, in plaats van open steden en bronnen van nieuw leven. De kracht en de mogelijkheid tot een ander perspectief ontvang je niet eens in één keer van God; deze gaven vereisen een voortdurende inspanning van ziel en hart.

In de praktijk betekent het voor kerken en religieuze gemeenschappen om open te staan voor de Schrift, allereerst luisteren naar de roep van hen die Christus niet kennen, Hem niet voldoende kennen of van Hem zijn afgedwaald, maar ook naar de roep van de armen, de gemarginaliseerden en degenen die lijden onder conflicten. Daar, in de actieve ontvangst van het gewonde vlees van de mensheid, kunnen we de authenticiteit van onze relatie met God toetsen. Als onze blik op God ons niet opent voor een blik op de ander die lijdt, dan hebben we de God die in de stad neerdaalt niet werkelijk ontmoet. Het is een oproep aan religieuze leiders om de nabijheid tot God en tot hun eigen volk te verenigen.

3.  De Tempel en het Lam

"Ik zag geen tempel in de stad, want de tempel is van de HEER, de Almachtige God, en van het Lam." (Openbaring 21:22).

De Schrift presenteert God als Degene die verlangt om onder de mensen te wonen. In het Oude Testament was deze aanwezigheid verbonden met de tempel, de plaats van ontmoeting tussen God en Zijn volk. De profeet Ezechiël ziet ook een vernieuwde stad rond de tempel, het hart van de goddelijke aanwezigheid en een teken van Zijn heiligheid.

In haar visie op het nieuwe Jeruzalem gebruikt Openbaring andere taal. Johannes zegt: "Ik zag geen tempel." Dit is niet omdat de aanwezigheid van God is verminderd, maar omdat deze niet langer geconcentreerd is in een aparte ruimte. God Zelf en het Lam wonen te midden van hun volk en vormen hun levende centrum. Vanuit dit perspectief is er geen scheiding meer tussen heilige en profane plaatsen: God woont niet in een gebouw, maar in relatie - niet op een plaats die veroverd en bezeten moet worden, maar in de geschiedenis.

Er zijn dus geen plekken waar God wel aanwezig is en andere waar Hij niet aanwezig is. Er zijn geen plaatsen waar God wel luistert en andere waar Hij niet luistert. Elk onderscheid tussen wel en niet aanwezig op basis van het criterium van reinheid verdwijnt ook. Als in Ezechiëls visioen de toegang tot de tempel werd beheerst door strikte onderscheidingen, dan is in het nieuwe Jeruzalem iedereen welkom: mannen en vrouwen, kinderen en ouderen, gezonden en zieken, vrije mensen en slaven.

Deze passage uit Openbaring biedt een krachtige les aan het aardse Jeruzalem, dat verscheurd wordt door conflicten over het bezit van plaatsen en de afbakening van exclusieve grenzen. De obsessie met het bezetten van ruimtes en eigendom is een van de belangrijkste criteria geworden voor het interpreteren van relaties tussen gemeenschappen, wat vaak leidt tot verdeeldheid en geweld. Het lijkt er bijna op alsof, om relaties op te bouwen en het recht te hebben om te spreken, het nodig is om te bezitten, te bezetten, om je aanwezigheid te rechtvaardigen door middel van territorium.

We mogen niet naïef zijn. Er zijn plekken die bewaakt moeten worden, plaatsen die nodig zijn voor elke gemeenschap om te leven en te getuigen van haar geloof. We mogen niet vergeten dat het Heilige Land ook het Land van Heilige Plaatsen is, dat de herinnering en de historische identiteit van volkeren bewaart. Maar grenzen dienen om de vrijheid te bewaren, niet om die te beknotten. Ze mogen geen onoverkomelijke hindernissen of redenen voor uitsluiting worden. Het is mogelijk om samen te leven met respect voor elkaars leefruimte, rekening houdend met ieders geschiedenis en verschillende gevoeligheden.

In het Nieuwe Jeruzalem zijn er dus geen plaatsen om te bezitten, maar relaties om op te bouwen. Als de God van de Heilige Stad geen ruimtes bezet of hindernissen opwerpt, dan zou niemand zich buitengesloten

 

moeten voelen. Daarom kan God niet worden gebruikt om keuzes van afsluiting of uitsluiting te rechtvaardigen.

Deze passage uit Openbaring, die ons uitnodigt om naar de hemel op te kijken, brengt ons in feite terug naar de aarde: een stad leeft in de mate waarin ze erkent dat de ware tempel die bewaakt moet worden, haar vitale centrum, de menselijke relaties en de relatie met God zijn. Het is gedoemd te verdorren en te sterven wanneer het zich laat overheersen door de logica van bezit, de devaluatie van de ander en zelfreferentiële verhalen, in plaats van door het licht van het Lam, wat de logica van het geven is.

4.  De lamp van het Lam: een nieuwe manier van zien

"En de stad heeft geen zon of maan nodig om haar te verlichten, want de heerlijkheid van God is haar licht, en haar lamp is het Lam... En er zal geen nacht meer zijn; zij hebben geen licht van lamp of zon nodig, want de HEER God zal hun licht zijn, en zij zullen regeren tot in eeuwigheid." (Openbaring 21:23, 22:5)

We hebben gezien dat er in het nieuwe Jeruzalem geen tempel is. Maar waar is God dan, en hoe woont God in Jeruzalem? Waar ontmoet men God? Gods aanwezigheid in de stad is niet omslachtig, zwaar of imponerend. God is aanwezig als een lamp die verlicht. God is aanwezig als Degene die de mogelijkheid biedt van een ander perspectief, en daarmee een nieuwe manier van leven; God verlicht relaties, het leven en alle dingen.

Als de lamp het Lam is, betekent dit dat het een "paaslicht" is: het licht van Degene die zijn leven uit liefde gaf, vrij en onvoorwaardelijk. Pasen luidt een nieuwe manier van kijken naar de werkelijkheid in. Het is de paaservaring die ons in staat stelt het leven te zien, zelfs waar onze fysieke ogen alleen dood, nederlaag of verwoesting zien.

Deze passage in Openbaring brengt ons een stap verder, voorbij het criterium van bezit, verstikkende ruimtes, gesloten grenzen en verafgoodde eigendom dat we tot nu toe hebben gezien. Licht is niet van ons; het wordt verwelkomd en verspreid. Het wordt zo het criterium voor het interpreteren van de werkelijkheid en het leiden van keuzes. Door welke ogen, met welke geest kijken we naar anderen, vooral naar hen die niet 'een van ons' zijn? Met vertrouwen, met vrees, of – erger nog – met minachting?

Het trainen van je ogen op dit licht – dat leven is – wordt de eerste taak van hen die tot deze Stad willen behoren. Het betekent elke persoon – de arme, de vreemdeling en zelfs de vijand – erkennen als een schepsel gemaakt naar het beeld en de gelijkenis van God, en naar hen kijken zoals je naar God kijkt. Het is dezelfde stijl van het Lam die de Stad verlicht: een autoriteit uitgedrukt in zelfopoffering die macht transformeert in dienstbaarheid, niet in bezit en overheersing.

5.  De levensstijl van de Stad: welkom en herinnering

"Hij heeft een grote, hoge muur met twaalf poorten, en bij de poorten twaalf engelen, en op de poorten staan de namen van de twaalf stammen van de Israëlieten gegraveerd: ... En de muur van de Stad heeft twaalf fundamenten, en daarop staan de twaalf namen van de twaalf apostelen van het Lam." (Openbaring 21:12-14)

Wat opvalt in deze beschrijving is een schijnbare inconsistentie. De namen van de twaalf apostelen vormen het fundament van het gebouw, terwijl de namen van de twaalf stammen van Israël op de deuren staan.

Chronologisch gezien zou men het omgekeerde verwachten: Israël komt vóór de apostelen. Toch zijn in het visioen van Openbaring het oude en het nieuwe noch tegenover elkaar staand, noch overlappend, maar worden ze juist heropgebouwd tot een verloste eenheid. God wist de geschiedenis niet uit, maar herschept haar door nieuwe fundamenten te leggen waarin niets verloren gaat en alles zijn juiste plaats vindt.

Jeruzalem wordt zo de vervulling voor zowel de twaalf stammen als de twaalf apostelen. Alleen in deze stad kan ieder de betekenis van zijn eigen geschiedenis en missie vinden.

Dit is ook voor ons vandaag een cruciaal punt. Geweld ontstaat vaak door het onvermogen om de eigen geschiedenis op een verlossende manier te herlezen. Dit gebeurt wanneer het geheugen een hermetisch afgesloten verhaal wordt, geconstrueerd tegen de ander en verdedigd als een exclusief bezit. De vroegere preoccupatie met eigendom als criterium voor het definiëren van relaties wordt ook weerspiegeld in de relatie met het historisch geheugen. Er is een neiging om het verhaal van de gebeurtenissen te willen bezitten, het te behandelen als te verdedigen territorium, terwijl het historisch verhaal van de ander voortdurend in twijfel wordt getrokken. Daardoor helpt het geheugen niet langer om relaties te verbeteren, maar wordt het in plaats daarvan een 'giftig geheugen' dat ze vervuilt. Het ontkennen van het historisch geheugen van de ander is een subtiele maar krachtige vorm van uitsluiting.

Wat nodig is, is een heroverweging van de concepten 'geschiedenis' en 'geheugen' zelf, en bijgevolg ook van de categorieën 'schuld', 'gerechtigheid' en 'vergeving'. Deze categorieën verbinden de religieuze sfeer direct met de morele, sociale en politieke sfeer. Het gaat er niet om de feiten uit het verleden te ontkennen, maar om de interpretaties ervan te toetsen, zodat deze niet op gewelddadige wijze de keuzes van vandaag bepalen. Alleen door deze eerlijke heroverweging kan men zijn historisch begrip herstellen ten behoeve van de hele mensheid. Scholen, universiteiten, culturele centra, bewegingen en de media dragen de primaire verantwoordelijkheid voor deze missie om ons collectieve geheugen te heroverwegen en te helen. Zij kunnen helpen een ander, positief en inclusief historisch verhaal op te bouwen.

Deze zuivering is geen diplomatieke operatie of een politiek compromis; het is een diep spirituele daad, omdat het de wortels van identiteit en pijn raakt. Het vereist van ons dat we ons door God laten verlossen, zodat we op onze beurt instrumenten en kanalen van genezing voor anderen kunnen worden. Alleen een verloste herinnering kan een andere toekomst scheppen. De missie van de Kerk is het bevorderen van een ware 'zuivering van de historische herinnering'. "Sint Johannes Paulus II herinnerde hier krachtig aan tijdens het Jubileum van 2000, toen hij sprak over de noodzaak om het geheugen te zuiveren als een diep spirituele daad, die in staat is de wortels van identiteit en pijn aan te raken.

Ik ben me er terdege van bewust dat dit voor velen een onaanvaardbaar onderwerp is. Voor sommigen is het misschien 'te christelijk'; voor anderen lijkt het utopisch of zelfs iets dat ronduit verworpen moet worden. Dit is echter de bijdrage, de missie, die het Lam ons nalaat. Het is het getuigenis waartoe wij geroepen zijn, de 'belofte en profetie' die onze pelgrimstocht in de Heilige Stad, in onze Kerk, moet ondersteunen: de moed hebben om een toekomst te zien die niet voortkomt uit bezit, angst of rechtvaardiging, maar uit de verlossing van de geschiedenis. Wat voor Kerk zouden wij zijn als we niet de moed hadden om te wijzen naar een wereld die er nog niet is, maar die God ons belooft en die we al aan de horizon zien verschijnen?

6.  De open deuren

"De poorten zullen overdag nooit gesloten zijn - en er zal daar geen nacht zijn." "(Openbaring 21:25) De muren van een stad worden altijd gebouwd ter verdediging. Hier zijn ze echter niet gebouwd om de stad te verdedigen tegen bedreigingen van buitenaf, alsof wat zich buiten bevindt gevaarlijk zou zijn. In

plaats daarvan dienen ze om een levenswijze en een gevoel van verbondenheid te definiëren. En ze blijven altijd open. Er is niets te verdedigen, alleen een levenswijze om voor te stellen. Open in alle vier de windrichtingen, laten ze iedereen, op elk moment, binnen en deel uitmaken van deze nieuwe mensheid. "Mijn huis zal een huis van gebed voor alle volken zijn." (Jesaja 56:7)

Wat in het Oude Verbond het voorrecht was van slechts één volk, hoewel het van meet af aan bedoeld was voor alle volken van de aarde (vgl. Genesis 12:3), wordt nu geprofeteerd voor iedereen. Allen kunnen deel uitmaken van het heilige volk van God. De Kerk van vandaag leeft en verkondigt dit door deze profetische schat in aarden vaten te dragen. Ook dit is een andere duidelijke aanwijzing die het boek Openbaring ons biedt. In de stad die uit de hemel neerdaalt, kan niemand een monopolie uitoefenen, omdat de Heilige Stad van nature onverenigbaar is met elke vorm van afsluiting, exclusiviteit of een eenkleurige identiteit.

Ze behoort niet toe aan sommigen ten koste van anderen, noch kan ze worden gereduceerd tot het bezit van één groep. Haar deuren staan altijd open; ze zijn niet slechts een architectonisch detail, maar de uitdrukking van een identiteit die uitsluitend wordt gedefinieerd door gastvrijheid en verbondenheid.

Samenleven ontstaat door het delen van een gemeenschappelijk project, waarvan iedereen een integraal onderdeel is.

Dit betekent ook de deuren openhouden tussen de verschillende gemeenschappen die onze samenleving vormen - niet zomaar "langs elkaar heen lopen", maar "de deuren openhouden", met andere woorden, elkaar leren kennen en elkaar steunen.

7.  Het gedeelde hart van de mensheid

"De volken zullen in het licht ervan wandelen, en de koningen der aarde zullen hun heerlijkheid erin brengen... De mensen zullen er de heerlijkheid en de eer van de volken in brengen." (Openbaring 21:24, 26)

De poorten van de Stad staan niet alleen open. Johannes specificeert en voegt eraan toe dat volken, naties en andere volkeren geen bedreiging vormen; integendeel, ze worden beschouwd als een aanwinst. Het is het goud en de wierook van de volken die de Stad verfraaien. Dit is een van de grote vernieuwingen die de apostel beschrijft. De canons van schoonheid, heiligheid en zuiverheid worden volledig omgekeerd: wat mooi is, is niet wat ongerept, eenzaam of geïsoleerd is, maar wat openstaat voor de ander. Jeruzalem wordt verrijkt in de mate waarin het verwelkomt.

Aan het begin zagen we dat Jeruzalem wordt opgebouwd in de mate waarin het zichzelf van God ontvangt. Nu is de visie voltooid, en we zien ook dat Jeruzalem verrijkt wordt doordat het van anderen ontvangt. De twee gaan hand in hand. Dit lijkt de profetie van Jesaja te vervullen: "Alle volken zullen ernaartoe stromen. Vele mensen zullen komen en zeggen: 'Kom, laten we opgaan naar de berg van de HEER, naar het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons zijn wegen leert en wij in zijn paden wandelen'" (Jesaja 2:2-3).

Het hart van de wereld bevindt zich in Jeruzalem, zoals blijkt uit de miljoenen pelgrims die van over de hele wereld naar de Heilige Stad komen. Pelgrims maken deel uit van het leven van de stad. Zonder hen, zonder deze verbinding met de wereld, is de stad onvolledig, en we zien dit helaas heel duidelijk in deze maanden die gekenmerkt worden door hun afwezigheid. Dit betekent dat lokale bestuurders er altijd rekening mee moeten houden dat wat in Jeruzalem wordt ervaren, het leven van miljarden gelovigen over de hele wereld betreft. Het is niet alleen een privéaangelegenheid van degenen die de genade hebben om daar te wonen. Jeruzalem behoort aan niemand exclusief; het behoort aan iedereen, omdat het geen oorlogsbuit is, maar een geschenk, een gemeenschappelijk referentiepunt, een erfgoed van de mensheid.

De wereld heeft het recht en de verantwoordelijkheid om belangstelling te tonen voor Jeruzalem – niet om van bovenaf oplossingen op te leggen, waarmee de soevereiniteit en het zelfbeschikkingsrecht van de volkeren die er wonen worden genegeerd, maar om constante en discrete druk uit te oefenen – diplomatiek, cultureel en spiritueel – zodat geen enkele logica van uitsluiting, overheersing of exclusief bezit kan prevaleren. De internationale gemeenschap moet de universele missie van Jeruzalem garanderen en iedereen eraan herinneren dat wat er binnen de muren gebeurt, de harten van miljarden gelovigen en de hele mensheid raakt.

8.  De roeping: de wereld helen

De Stad is geen doel op zich. Haar missie is universeel! En haar roeping is therapeutisch.

"Toen toonde de engel mij de rivier van het water des levens, helder als kristal, die van de troon van God en van het Lam stroomde, dwars door de stad. Aan weerszijden van de rivier stond de boom des levens met zijn twaalf soorten vruchten, die elke maand vrucht droeg; en de bladeren van de boom waren tot genezing van de volken." (Openbaring 22:1-2)

Van de troon van God en het Lam stroomt een rivier van levend water, en de boom des levens, waarvan de bladeren "tot genezing van de volken" aan de oevers groeien. Dit is de ultieme en verheven taak van Jeruzalem. De boom des levens, die in Eden voor de mensheid verboden was, staat nu in het hart van de stad, toegankelijk voor iedereen. De bladeren zijn niet voor een select groepje, maar voor de genezing van de "volken", een term in Openbaring die vaak de ongelovige wereld aanduidt, degenen die buiten staan en God nog niet kennen. Goddelijke genade is geen voorrecht voor enkelen, maar een bestemming die aan allen is beloofd.

De missie van Jeruzalem is niet beperkt. Binnen de muren of opgesloten achter de poorten. De bron van levend water die uit het hart van het Lam stroomt, bevloeit de hele wereld. Jeruzalem is een "uitkijkende" stad, geroepen om vrucht te dragen voor de mensheid. Wat zij van boven heeft ontvangen, moet met iedereen gedeeld worden. Zij heeft een specifieke missie, die uniek is voor haar: "de volken genezen".

 

Genezen van wat? De tekst specificeert dit niet, omdat hij niet wijst op één enkele wond, maar op de wortel van het gekwetste leven. Hij zegt echter wel dat wat geneest, het leven zelf is, de deelname aan het leven van God.

Genezing zal nodig zijn in het Heilige Land. Lange herstelprocessen zullen nodig zijn voor de vele en zeer pijnlijke wonden die dit conflict aan alle gemeenschappen toebrengt. Troost zal nodig zijn voor de beproevingen die veroorzaakt worden door haat en "traumatische herinneringen". De missie van de Kerk is niet om de grenzen te vernauwen, maar om de deuren open te houden en te getuigen van een liefde die nooit opgeeft en zich zelfs uitstrekt tot hen die afstandelijk, twijfelend of weerbarstig zijn. De verantwoordelijkheid van de mens Vrijheid wordt bevestigd, maar ook de grenzeloosheid van de goddelijke genade.

Het Heilige Land en de kleine, kwetsbare christelijke gemeenschap die daar woont, hebben veel te delen. Het heeft geen militaire of economische macht, maar put uit het Lam de "zachtmoedigheid" van hen die, volgens de zaligspreking van het Evangelie, de aarde zullen beërven. Het heeft de kracht van zelfopofferende liefde, de enige kracht die het kwaad niet kan overwinnen.

Het verlossen van de gevolgen van conflicten - haat, angst, "traumatische herinneringen" - is de specifieke en verheven taak van de Jeruzalemse Kerk voor de hele wereld. Haar wortels liggen in de geografie van de verlossing, maar haar blik is universeel: om voor de wereld geen utopie te zijn, maar het zaad van een echte stad, de stad op de berg (vgl. Mt. 5:14), die het licht van Christus uitstraalt naar alle volken, waar mensen de kunst van het vergeven, de kracht van gelijkheid en de vreugde van dienstbaarheid leren.

Bovenal is de moed van het vergeven het krachtigste medicijn, in staat tot... Het brengt genezing en is tevens het meest authentieke getuigenis dat onze gemeenschap aan de volkeren van dit land kan bieden. Het gaat er niet om een brug te slaan tussen twee conflicterende partijen, alsof christenen geroepen zijn om van buitenaf te bemiddelen. Dat is niet hun rol. Christenen in het Heilige Land zijn geen derde partij, geen neutrale buffer tussen Israëliërs en Palestijnen, noch een aparte groep van hun niet-christelijke broeders. Zij zijn veeleer zout, licht en gist binnen de samenlevingen waartoe zij terecht behoren.

Christenen, voornamelijk Palestijnse of Jordaanse burgers, christelijke Arabieren, maar ook Cyprioten en Israëliërs, delen de geschiedenis, taal, wonden en aspiraties van hun volk. Zij zijn niet geroepen om zich af te zonderen in een beschermde enclave, noch om te vluchten, maar om hun roeping ten volle te beleven: deel uit te maken van de samenleving, haar lot te delen en haar van binnenuit te laten fermenteren met een visie op de mensheid - en de samenleving - geworteld in het Evangelie.

Zij bieden de wereld geen abstracte utopie, maar het zaad. - fragiel, concreet, soms bijna onzichtbaar - van een mogelijke stad. Een stad die oprijst van onderaf, in het deeg van het dagelijks leven dat gedeeld wordt met hun moslim- en joodse medeburgers, en die laat zien hoe samenleven, vergeving en verzoening mogelijk zijn. Voor iedereen.

9.  Verwerping

Deze twee hoofdstukken van Openbaring die we hebben besproken, staan niet los van de werkelijkheid. Johannes is zich er terdege van bewust dat er, naast de fascinatie en schoonheid die we in de besproken passages aantreffen, ook de mogelijkheid van verwerping bestaat. Verschillende passages gaan hierop in (21:8, 27; 22:11, 15). Laten we er slechts één als voorbeeld nemen: "Buiten zijn de honden en de tovenaars en de hoereerders en de moordenaars en de afgodendienaars, en iedereen die de leugen liefheeft en beoefent" (22:15).

Dit is een krachtige taal waaraan we misschien niet meer gewend zijn. Het benadrukt echter een belangrijk element: leven in de Heilige Stad houdt een keuze en een verantwoordelijkheid in. De muren van de Stad, zoals we al hebben gezegd, verdedigen niet, maar bepalen de levenswijze voor hen die ervoor hebben gekozen om verlicht te leven door het Lam. Als iemand ervoor kiest om in een stad vol pracht en praal te leven, met altijd open deuren, klaar om te verwelkomen en te genezen, neemt hij ook de verantwoordelijkheid op zich om alles te verwerpen wat niet bij die levenswijze hoort.

Er moet een keuze gemaakt worden, een levenswijze moet aangenomen worden. Wie die verwerpt, kan niet binnen de muren blijven, kan geen deel uitmaken van het leven in de stad. Het gaat er niet alleen om

te kiezen om in het licht van het Lam te leven, maar ook om ervoor te zorgen dat duisternis en alles wat tot de wereld van de dood behoort, niet in de stad huist.

Het is belangrijk om de aard van deze verwerping te begrijpen. Het is geen oordeel over onze menselijkheid, die altijd gekenmerkt wordt door onvolmaaktheid, of over het feit dat we zondaren zijn die vergeving nodig hebben; integendeel, juist daarom is het Lam een onuitputtelijke bron van genade. De verwerping die in de Schrift beschreven wordt, is iets radicalers: het is de opzettelijke, koppige en onberouwvolle vasthouding aan een levensstijl die lijnrecht ingaat tegen de logica van het Lam. Het is de bewuste keuze voor leugen als systeem, voor geweld als methode. Het manifesteert zich in de bewering niet alleen ruimtes, maar ook de waarheid te bezitten. Het is het bouwen van je eigen leven en je eigen stad op dat project van Babel, dat ernaar streeft om op eigen kracht naar de hemel te stijgen, God uitsluitend en bijgevolg je broeder of zuster terzijde schuivend.

De stad met open deuren verdrijft niet, maar definieert duidelijk wat onverenigbaar is met haar bestaan. De keuze is aan ons: leven naar het licht dat we ontvangen, of beweren zelf licht te zijn. Voor hen die deze keuze maken, kan de stad met open deuren slechts een oordeel van bezorgdheid lijken. Maar voor hen die de weg van het Lam omarmen, is het, en blijft het voor altijd, een thuis.

Het is echter belangrijk te benadrukken dat we onszelf niet moeten misleiden door te denken dat deze keuze voor eens en voor altijd gemaakt is, noch dat het hemelse Jeruzalem perfect samenvalt met welke aardse gemeenschap dan ook, zelfs niet met onze Kerk. Zolang we pelgrims in de geschiedenis zijn, zal de Heilige Stad voor ons blijven als een geschenk en een belofte, niet als een bezit. Zelfs onze gemeenschappen, onze religieuze instellingen en onze harten dragen nog steeds de littekens van zonde en verdeeldheid. De verleiding om onszelf op te sluiten in een 'ideale stad', gebouwd met onze eigen handen, is altijd aanwezig. Daarom blijft het Jeruzalem dat uit de hemel neerdaalt, steeds opnieuw neerdalen: we moeten het steeds opnieuw ontvangen, omdat we het nooit bezitten.

10.  Een Stad voor Allen: geschiedenis beleven door de ogen van het Lam

De visie op het nieuwe Jeruzalem is uiteindelijk geen uitnodiging om aan de geschiedenis te ontsnappen, maar eerder een gids om binnen de geschiedenis te wandelen. Het is een model, een stijl, een echt referentiepunt voor de christelijke gemeenschap en voor allen die zich om de aardse stad bekommeren. De principes die hieruit naar voren zijn gekomen – verankering in de werkelijkheid, bescherming van het heilige, universaliteit van gastvrijheid, de kracht van nederigheid, het primaat van relatie boven bezit, de noodzaak van herstel van de herinnering, openheid voor alle volken – hebben directe politieke, sociale en interreligieuze implicaties. Ze leren ons dat:

Het historische karakter van Jeruzalem brengt het besef met zich mee dat de stad de thuisbasis is van zowel Israëliërs als Palestijnen, en door beide groepen als hun hoofdstad wordt beschouwd. Exclusieve aanspraken staan echter haaks op de roeping van Jeruzalem. Het is een stad om te delen, een plaats van ontmoeting.

Het religieuze karakter van Jeruzalem kan in geen enkele politieke overeenkomst worden genegeerd. Mislukkingen uit het verleden tonen dit aan. We moeten erkennen dat het voornaamste kenmerk van de Heilige Stad haar status is als de plaats van Gods openbaring.

Harmonie tussen gemeenschappen (Joden, christenen en moslims) blijft de aardse weerspiegeling van de intimiteit met God. Verdeeldheid is een ontkenning hiervan.

Religieuze instellingen zijn geroepen tot voortdurende spirituele vernieuwing, zodat ze geen obstakels vormen voor het kennen van God en de betrokkenheid bij de wereld.

Het bezit van land en heilige plaatsen mag geen ideologisch absoluut doel worden. We hebben nieuwe evenwichten nodig die rekening houden met de essentiële behoeften van iedereen en de logica van uitsluiting overwinnen. Het is mogelijk om manieren te vinden om samen te leven en elkaars plaats te respecteren.

De internationale gemeenschap heeft de plicht en het recht om voor Jeruzalem te zorgen, omdat het van iedereen is. Jeruzalem is het hart van de wereld en wat daar gebeurt, raakt miljarden gelovigen.

De Kerk van Jeruzalem, klein maar veerkrachtig, leeft hier en nu op de manier van het hemelse Jeruzalem: een gastvrije plek zijn, een paaslicht dat de duisternis van wrok verlicht; een thuis met open deuren, een instrument van genezing in de wereld. Dit is haar droom, haar missie, haar geschenk aan de mensheid.

Deel III Pastorale implicaties

Na ons te hebben gericht op onze realiteit en te hebben nagedacht over de toekomst die ons is toevertrouwd, moeten we ons nu afvragen: hoe kunnen we als gemeenschap de levensstijl van "Jeruzalem dat uit de hemel neerdaalt" hier en nu beleven? We kunnen niet proberen een abstract plan toe te passen; we moeten juist manieren vinden om inspiratie op te doen in ons dagelijks leven, in onze parochies, gezinnen en instellingen. Het is een lange en vermoeiende reis, maar het is de enige die ons vertrouwen kan geven.

We denken misschien dat we door het conflict niets kunnen doen. Moeilijkheden mogen echter geen voorwendsel worden om de naastenliefde te staken of om nalatigheid te rechtvaardigen. Juist in deze gevallen moet ons pastorale handelen des te scherper worden: niet om helden te zijn, maar om ruimte te creëren voor het werk van God.

Terwijl ik terugblik op wat we tot nu toe hebben besproken, zal ik nu proberen enkele pastorale gebieden te schetsen waarin het duidelijk is dat de missie van onze Kerk is om een concrete uitdrukking te zijn van de visie die God ons heeft toevertrouwd.

1.  Het primaat van liturgie en gebed

We hebben gezien dat het eerste element van de Stad die uit de hemel neerdaalt, is om zich voortdurend van God te ontvangen en het bewustzijn van Gods aanwezigheid levend te houden. Het sacramentele leven van de Kerk

- de liturgie en het gebed - beschermt en verlevendigt dit bewustzijn. Dit is een essentieel onderdeel van de missie van de Kerk.

Er is een subtiele verleiding die we moeten herkennen: die om liturgie en gebed te beschouwen als een instrument, een middel om iets anders te verkrijgen - zelfs als dit vrede, het einde van oorlog, oplossingen voor problemen is. Gebed is geen middel. Het is een moment van liefde en ontmoeting met God, waarin we Hem proberen te zien en door Hem gezien willen worden, zoals we doen wanneer we degenen bezoeken van wie we houden. Het is het hart, de adem. Het is wat onze gemeenschap levend houdt wanneer al het andere wankelt. Wie bidt, vindt vertrouwen, zelfs wanneer het onmogelijk lijkt, want gebed verandert misschien niet alles of brengt geen onmiddellijke en tastbare resultaten, maar het transformeert wel de manier waarop we de dingen zien.

Daarom moeten we de liturgie en het gebed centraal stellen in het leven van onze gemeenschappen. Niet alleen gebeden om vrede – die ook bevorderd moeten worden – maar gebed als een constante en blijvende atmosfeer van het leven, die vorm geeft aan onze dagen, onze weken, onze gemeenschappen.

Ik denk hierbij in het bijzonder aan het getijdengebed in gemeenschap, aan lectio divina, aan eucharistische aanbidding: geen praktijken voor specialisten, maar eenvoudige en diepgaande uitingen van het gebed van de Kerk, die in staat zijn ons dagelijks leven – met al zijn angsten en verwachtingen – te verbinden met een levende relatie met God.

Ook de gemeenschaps- en helende dimensie van het sacrament van de biecht moet worden bevorderd. Te vaak ervaren als iets privés en geïsoleerds, terwijl het volledig een ecclesia is! Het sacrament, dat niet alleen het individu maar de hele gemeenschap geneest en de gewonde gemeenschap herstelt. Goed voorbereide gemeenschappelijke boetevieringen kunnen deze ontmoeting met Gods barmhartigheid al haar wedergeboortekracht geven.

Er moet ook bijzondere aandacht worden besteed aan het sacrament van het huwelijk en de pastorale zorg voor gezinnen. In een tijd waarin velen worstelen met het geloof in trouw en standvastigheid, betekent het begeleiden van echtparen hen helpen hun gezin niet te bouwen op de fragiliteit van emoties, maar op de rots van Christus' liefde.

Kortom: de liturgie is geen verzameling gebruiken, maar de daad zelf van Christus die zijn Kerk blijft vormen, genezen en ondersteunen. Laten we het gebed tot het kloppende hart van onze parochies, onze gezinnen, onze scholen maken. Een gemeenschap die bidt, ontvlucht de werkelijkheid niet, maar leert haar te beleven onder de blik van God, in het paaslicht dat schijnt, zelfs als het overal donker is. Parochies zijn inderdaad het kloppende hart van ons gemeenschapsleven; Daar worden de sacramenten toegediend en de liturgieën gevierd.

2.  Gezinnen: Huiskerken

Als parochies het kloppende hart van ons gemeenschapsleven zijn, dan zijn gezinnen de dagelijkse adem. Daar wordt het geloof geleerd, doorgegeven en belichaamd. Daar doen kinderen hun eerste ervaringen op met liefde, vergeving en vertrouwen. In hen vormt ieder mens het perspectief waarmee hij of zij de wereld zijn of haar leven lang zal bekijken.

In deze tijd van scepsis en angst hebben onze gezinnen een extra missie: laboratoria van verzoening, scholen van menselijkheid, huiskerken te worden.

Waar kan de "zuivering van het geheugen" beter beginnen dan in het gezin? Ouders zijn de eerste vertellers van de geschiedenis. De manier waarop zij het verleden vertellen - met venijn of eerlijkheid, met wrok of vertrouwen - laat een blijvend teken achter bij hun kinderen. Kinderen leren samenleven betekent ook de waarheid vertellen, zelfs een pijnlijke waarheid, zonder haat over te brengen. Het betekent leren dat je een pijnlijk verhaal kunt herinneren zonder wraak te zoeken, dat je kunt rouwen om je eigen verlies zonder de dood van anderen te wensen.

Ons gezin is de eerste plek waar we concreet leren om anderen te ontmoeten: onze buren, onze schoolgenoten met een ander geloof en onze collega's. Als ouders relaties van respect en openheid onderhouden, leren hun kinderen dat zulke relaties mogelijk zijn. Als ouders minachtend spreken over mensen die anders zijn, nemen hun kinderen dat gif in zich op en internaliseren het, waardoor hun wereldbeeld wordt gevormd.

En dan het gebed. Een gezin dat samen bidt, zo luidt een oud gezegde, blijft samen. Ingewikkelde formules zijn niet nodig. Het kruisje slaan en bidden voor de maaltijd, een kort avondgebed, het evangelie openen en samen lezen op zondag, zijn kleine gebaren die een sfeer creëren en iedereen – kinderen en volwassenen – eraan herinneren dat God thuis is binnen deze muren.

Ik denk in het bijzonder aan gemengde gezinnen binnen het christendom, gezinnen waar verschillende tradities naast elkaar bestaan. In een context die aanzet tot scheiding, vallen zij op als een profetisch teken: ze getuigen ervan dat liefde sterker is dan tegenslagen, dat ontmoeting mogelijk is, dat eenheid kan worden opgebouwd in diversiteit. Wij bieden hen onze steun en spreken onze bewondering voor hen uit. Ik weet heel goed dat gezinnen tegenwoordig onder druk staan: de economische crisis, de angst voor de toekomst, de verleiding om te emigreren en de dagelijkse moeilijkheden. Zoveel gezinnen worden beproefd, zijn moe en uitgeput. Wij lijden met hen mee. De Kerk wil aan hun zijde staan, hen steunen en hen helpen de schoonheid van hun levensreis te herontdekken.

Tegen jullie, gezinnen, zeg ik: voel je niet alleen. De Kerk is met jullie. De parochie is jullie thuis. We kunnen natuurlijk niet iedereen bereiken of in alles voorzien, maar wees niet bang om jullie worstelingen te delen, om leiding te zoeken wanneer alles hopeloos lijkt. En vergeet nooit jullie missie: jullie zijn de eerste getuigen van het geloof voor jullie kinderen. Meer dan woorden, tellen daden. Meer dan toespraken, tellen levens van liefde.

Moge Maria, Moeder van Nazareth, die in een klein huis de wonderen van God koesterde en in haar hart overpeinsde, elk gezin in ons bisdom begeleiden. Moge zij ons allen de kunst van het zorgen en het samenbrengen van dingen leren, van geduldig wachten en vertrouwen hebben in het wachten.

3.  Scholen: Laboratoria van de Toekomst

Onze scholen behoren misschien wel tot de grootste geschenken die de Kerk aan onze planeet geeft. Generaties mannen en vrouwen – Joden, christenen en moslims – hebben de gelederen van onze instellingen doorlopen. Dit is geen detail: het is een ware missie.

 

Vandaag de dag zijn onze scholen geroepen om nog meer te doen. Ze zijn niet alleen plaatsen van onderwijs, maar ware werkplaatsen van een nieuwe mensheid. Het zijn ruimtes waar we leren samenleven, waar verschillen niet angst inboezemen maar verrijken, en waar ontmoetingen met anderen kansen bieden voor groei in plaats van conflicten. Paus Leo XIV zei onlangs, ter gelegenheid van de 60e verjaardag van het conciliaire document Gravissimum Educationis: "Onderwijs is een daad van hoop en een passie die vernieuwd wordt omdat het de belofte manifesteert die we in de toekomst van de mensheid zien." (Nieuwe kaarten van hoop tekenen, 3.2.)

Tegelijkertijd blijven ze essentiële plaatsen voor het overdragen van het christelijk geweten. Onze kinderen moeten weten wie ze zijn, uit welke geschiedenis ze voortkomen en welke schatten ze in hun hart dragen. Een geloof dat onbekend is, kan niet worden beleden. Een fragiel geweten sluit zich af in angst, terwijl een sterk en rijp geweten zich openstelt voor ontmoetingen.

Laten we ons scholen voorstellen waar niet alleen kennis wordt overgedragen, maar ook het vermogen om de geschiedenis te herlezen met een blik vrij van wrok; waar conflicten niet worden onderdrukt, maar worden aangepakt met de instrumenten van begrip voor anderen, dialoog en respect; waar de kwaliteit van het onderwijs hand in hand gaat met de kwaliteit van de relaties. Scholen waar gebed, stilte en luisteren jongeren helpen de werkelijkheid zonder angst te interpreteren, en waar leraren en opvoeders niet slechts overbrengers van inhoud zijn, maar getuigen van een manier van leven.

Onze scholen moeten de plaatsen worden waar de visie die we in deze brief hebben geschetst – het Jeruzalem van open deuren, de verlossing van de herinnering, de afwijzing van geweld – concrete vorm krijgt in onderwijsmethoden en het dagelijks leven. Hier speelt zich een cruciaal deel van de toekomst van deze planeet af.

Ik ben me terdege bewust van de chronische problemen – niet alleen financiële – waarmee de meeste van onze scholen en academies kampen. Onlangs is in Jeruzalem de kwestie van de vergunningen voor leraren uit Bethlehem aan de orde gekomen, wat het behoud van de christelijke identiteit van onze scholen ernstig in gevaar brengt. Ook op dit gebied heeft het politieke conflict directe gevolgen voor het leven van de Kerk, en we moeten alles in het werk stellen om onze leraren te helpen en te ondersteunen, maar zonder onszelf te onderschatten. Er liggen moeilijke tijden in het verschiet. Niettemin is één ding zeker: met nederigheid en vastberadenheid zullen we het christelijke karakter van onze instellingen blijven verdedigen.

Mijn oprechte dank gaat uit naar de bestuurders, leraren en alle medewerkers van onze scholen. Jullie werk, vaak veeleisend en minder zichtbaar, is een investering in de toekomst. Dag na dag bouwen jullie aan de stad van mogelijkheden waar we van dromen – een stad waar samenleven geen utopie is, maar een ervaring die van jongs af aan wordt opgedaan.

4.  Ziekenhuizen en sociale zorg: Bladeren die helen

Er is een plek waar welkom, dialoog en genezing al werkelijkheid zijn: onze instellingen voor sociale zorg: onze ziekenhuizen, mobiele klinieken, tehuizen voor gehandicapten, weeshuizen, Caritas-centra, gaarkeukens en opvanghuizen. Het boek Openbaring spreekt over een levensboom waarvan de bladeren "tot genezing van de volken" zijn: onze werken zijn als deze bladeren, stil en discreet, maar in staat om iedereen in nood verlichting te brengen, zonder dat daarvoor een identiteitsbewijs of religieuze overtuiging nodig is.

In onze ziekenhuizen worden Joden, christenen en moslims samen geboren, behandeld, lijden en sterven soms samen. Artsen en verpleegkundigen van verschillende geloofsovertuigingen werken zij aan zij. In deze dagelijkse gebaren wordt Gods liefde aanwezig en heelt zij verdeeldheid die woorden vaak niet kunnen helen.

Hier wordt de dialoog concreet. Geen behoefte aan grootse toespraken. Het gebaar van iemand die beproevingen draagt, die een glas water aanbiedt, die naast een stervende staat, is genoeg. In deze gebaren wordt Gods liefde aanwezig en heelt zij.

Onze pastorale taak is tweeledig. Ten eerste moeten we deze werken royaal ondersteunen, zodat ze hun missie kunnen voortzetten. Het wordt steeds moeilijker om hun onderhoud en ontwikkeling te garanderen en tegelijkertijd hun geest van openheid en gastvrijheid, evenals de professionaliteit van hun Toewijding. Dit zal een nieuwe test zijn waar we de komende jaren voor komen te staan.

Ten tweede moeten we deze realiteiten bekendmaken om te laten zien dat een andere weg mogelijk is. Te vaak luisteren we alleen naar de stemmen van haat. We weten te weinig over deze stille gebaren die het weefsel van ons samenleven levend houden.

Aan allen die in onze zorg- en welzijnsinstellingen werken - artsen, verpleegkundigen, vrijwilligers en medewerkers - mijn diepste dank. Jullie zijn die bladeren die, nu al, in stilte de gevolgen van onze tijd verzachten. In een land waar alles verdeeldheid zaait, bouwen jullie aan eenheid. In een tijd waarin haat woedt, tonen jullie liefde in stilte. Jullie werk is kostbaar in de ogen van God en de gemeenschap.

5.  Onze ouderen: Levende herinnering

Er is een schat in onze gemeenschappen waar we vaak niet genoeg aandacht aan besteden: onze ouderen. In een vergrijzend land als het onze zijn ook zij een kostbare aanwezigheid die aandacht en dankbaarheid verdient.

Onze grootouders, onze ouderen, zijn het levende geheugen van de Kerk. Ze hebben oorlogen meegemaakt, teleurstellingen ervaren, uittochten doorstaan en gewerkt aan de wederopbouw. Ze hebben grenzen, vlaggen en machtswisselingen zien veranderen. Toch zijn ze gebleven, hebben ze het geloof bewaard en doorgegeven, vaak in stilte, met de discretie die past bij hen die werkelijk hebben geleerd dat woorden gewicht in de schaal leggen en met zorg moeten worden gebruikt. Vandaag de dag wonen velen van hen alleen. Hun kinderen zijn vertrokken, op zoek naar een toekomst elders. Gezinnen zijn meer versnipperd dan ooit. De eenzaamheid van ouderen is een uitdaging die we met een nieuwe blik moeten benaderen.

In het nieuwe Jeruzalem, zoals we hebben gezien, heeft iedereen een plaats. Zelfs zij die niet meer produceren, zelfs zij die niet meer vasten, zelfs zij die hulp nodig hebben bij de eenvoudige dingen van het dagelijks leven. In een maatschappij die waarde meet aan productiviteit en efficiëntie, herinneren zij ons eraan dat waardigheid niet verloren gaat met de leeftijd en dat het leven waardevol is, niet om wat we doen, maar om wie we zijn. Wijsheid wordt geboren uit de tijd en de beproevingen die we doorstaan. Zelfs wanneer eenzaamheid toeslaat – omdat kinderen ver weg wonen of gezinnen uit elkaar zijn gevallen – blijven ouderen een kostbare schat om te koesteren. "Ouderen helpen ons de continuïteit van de generaties te waarderen, door hun charisma om de kloof te overbruggen." (Amoris Laetitia, 192)

Onze parochies onderscheiden zich als plaatsen waar ouderen zich thuis voelen. Waar ze niet alleen verzorgd worden, maar ook beluisterd en geliefd. We moeten meer mogelijkheden creëren om bij hen te zijn, hun verhalen te horen en van hun ervaringen te leren. Jongeren, gezinnen en de Kerk hebben hen nodig.

Aan alle ouderen in ons bisdom zeg ik: dank u wel. Dank u wel voor uw stille trouw. Dank u wel voor de gebeden die u dag en nacht opzegt. Dank u voor het geduld waarmee u de last van jaren en eenzaamheid draagt. U bent als boomwortels, onzichtbaar, maar houdt de boom overeind. Zonder u zou onze Kerk veel fragieler zijn.

Maria koesterde op hoge leeftijd de wonderen van God in haar hart. Laten we van haar en van onze ouderen leren hoe we voor een betere toekomst kunnen zorgen en er vol vertrouwen op kunnen wachten.

6.  Jongeren: Moed en Profetie

Als ouderen het geheugen vertegenwoordigen, dan vertegenwoordigen jongeren de profetie. Zij vormen de kern van de verwachtingen, angsten en ook de meest levendige energie van onze gemeenschappen. Zij laten zien dat deze gemeenschap nog steeds een toekomst heeft.

Jongeren zijn tegenwoordig de eersten die lijden onder de werkloosheid, de onbetaalbare huisvesting en een ogenschijnlijk sombere toekomst. Hun vragen over hun verbondenheid met dit land en de toekomst ervan nemen toe. Maar jongeren zijn ook degenen die durven, die nooit opgeven met vragen stellen en niets als vanzelfsprekend beschouwen.

Daarom zeg ik tegen jongeren: geloof niet degenen die zeggen dat er hier geen toekomst is. Jullie zullen de toekomst bouwen met jullie eigen handen, met jullie intelligentie, met jullie geloof. De Kerk

wil aan jullie zijde staan. We hebben geen pasklare oplossingen, maar één ding is zeker: zonder jullie wordt ons huis armer. Ik vraag jullie om moedig te zijn. Sluit je niet af uit angst, maar zet je vol vertrouwen in voor de opbouw van onze stad.

Mogen onze parochies plekken zijn waar jongeren zich thuis voelen. Niet alleen als ontvangers van activiteiten, maar als hoofdrolspelers. Waar ze hun talenten kunnen ontplooien, waar hun vragen niet worden veroordeeld maar verwelkomd, waar ze verliefd kunnen worden op Christus en zijn Kerk.

Moge de Allerheiligste Maagd, die nog maar een meisje was toen ze 'ja' zei, met jullie meegaan en jullie de moed leren om te antwoorden: 'Hier ben ik.'

7.  Onze priesters: een referentiepunt voor de gemeenschap

Met dankbaarheid wil ik onze priesters in herinnering brengen. Zij zijn het die dag in dag uit onder de mensen zijn, de worstelingen en hoop van onze gemeenschappen delen, het Woord en het Brood des Levens verkondigen.

Onze parochiepriesters staan in de frontlinie. In deze complexe tijd, gekenmerkt door verwarring en wantrouwen, is hun taak delicater en kostbaarder dan ooit. Zij dragen de last van de pastorale zorg, streven ernaar verschillende gevoeligheden samen te brengen, naar ieders pijn te luisteren zonder verdeeldheid te zaaien, en een teken van eenheid te zijn in vaak gefragmenteerde contexten.

Ik vraag onze priesters om voor de gemeenschappen een vast en positief referentiepunt te zijn. Niet alleen zij die de sacramenten toedienen - wat ook een essentiële taak is - maar mannen die kunnen luisteren, bemoedigen en helen. Moge uw woord, in een tijd van scheldwoorden en vaak giftige woorden, de toon aannemen van een woord van vertrouwen en hoop. Moge uw aanwezigheid een aanwezigheid zijn die verenigt en verwelkomt.

Ik weet heel goed dat eenzaamheid, vermoeidheid en soms misverstanden echte lasten zijn. Toch blijven zovelen van u onophoudelijk geven, met geduld en vrijgevigheid. Mijn oprechte dank, samen met die van het hele bisdom, gaat uit naar u allen: voor de trouw waarmee u uw gemeenschappen begeleidt, voor de moed waarmee u, zelfs in de moeilijkste situaties, de aanwezigheid van de Kerk blijft.

8.  Religieus leven: Wachters van de dageraad

Er is nog een stille aanwezigheid die ons hele bisdom doordringt, vaak verborgen maar essentieel: die van de religieuzen. Zij zijn de wachters van de dageraad en de nacht (vgl. Jesaja 21:11-12).

Met hun leven van gebed en toewijding herinneren zij ons er elke dag aan dat er een "nieuwe hemel" bestaat. In een tijd waarin alles lijkt te zijn gereduceerd tot de nauwe horizonnen van politiek, overleven en angst, heffen zij hun blik op en herinneren ons eraan dat zonder God elke menselijke constructie vroeg of laat instort. Zoals Sint Johannes Paulus II al zei, is hun getuigenis een profetisch bewijs van de suprematie van God en van de toekomstige goedheid, voortkomend uit het volgen van Christus en de liefde voor onze broeders en zusters (vgl. Vita Consecrata, 85).

Ik denk in het bijzonder aan onze kloosters en besloten gemeenschappen, aan hen die aan de rand van steden wonen en werken, en aan hen die dienen in scholen, ziekenhuizen, parochies en tehuizen. Vaak is hun aanwezigheid discreet en nauwelijks zichtbaar, maar essentieel. In de stilte van het gebed en de trouw van de dagelijkse dienstbaarheid getuigen zij ervan dat het christelijk leven niet wordt gemeten aan efficiëntie of zichtbaarheid, maar aan trouw en liefde. In een land dat getekend is door verdeeldheid, bouwen zij met hun aanwezigheid modellen van mogelijk samenleven, voorbij de grenzen van verbondenheid.

Ik denk met bijzondere dankbaarheid aan hen die in deze maanden van oorlog het lot van het volk ten volle hebben gedeeld. Religieuze mannen en vrouwen hebben honger, angst en bombardementen meegemaakt, samen met de bevolking. Toen alles leek in te storten, werd hun aanwezigheid een krachtig teken: God laat zijn volk niet in de steek. Toen de dood dreigde, bleven ze bidden, dienen en dicht bij iedereen blijven.

Een woord van dank gaat ook uit naar de christelijke vrijwilligers die, ondanks de oorlog, naar het Heilige Land blijven komen om te dienen in scholen, parochies en in armoedegebieden. Mijn oprechte dank gaat uit naar alle religieuzen van ons bisdom: met jullie stille trouw zijn jullie experts in gemeenschap en bouwers van eenheid. Maak geen lawaai, maar bouw; zoek geen zichtbaarheid, maar zaai goedheid. Jullie aanwezigheid is een levende profetie in het Heilige Land.

9.  Interreligieuze dialoog: geen eiland, maar een stad

Zoals we eerder al opmerkten, verkeert de interreligieuze dialoog vandaag de dag in een crisis. Christenen, Joden en moslims worstelen om elkaar te ontmoeten. Wantrouwen heeft diepe kloven gegraven en velen vragen zich af of het nog wel zinvol is om op deze weg verder te gaan.

Juist in deze moeilijke tijden is dialoog echter geen gril van enkelen, noch een van de vele opties: het is een essentiële noodzaak. Onze lotsbestemmingen zijn met elkaar verweven. We kunnen de toekomst niet alleen opbouwen, noch een samenleving voorstellen die de ander negeert. Voor ons christenen is dialoog, zoals we al hebben benadrukt, geen simpele pastorale strategie, maar een integraal onderdeel van onze roeping en onze bestemming, de essentie van ons Kerk-zijn.

Er is echter een overgang nodig: van de dialoog van de elite naar de dialoog van het leven. Ontmoetingen tussen specialisten en officiële verklaringen zijn belangrijk, maar niet voldoende. Dialoog moet doordringen in onze parochies, onze buurten, onze dagelijkse relaties. We moeten leren om mét anderen te spreken, niet alleen óver anderen; om echt naar hun verhaal te luisteren, naar hun lijden, hun angsten. Alleen zo kunnen we ontsnappen aan de denkwijze die alleen ons eigen leed waardeert.

Scholen vormen een bevoorrechte plek voor deze geleefde dialoog. Onze klaslokalen zijn in feite al laboratoria van samenleven. Hier is het mogelijk om jongeren niet alleen te onderwijzen in de kennis van religies, maar ook in de kunst van de ontmoeting, waardoor ze een kritische blik ontwikkelen die in staat is om het eendimensionale verhaal van haat te weerstaan.

Ook de sociale zorg – ziekenhuizen, Caritas, luistercentra – zijn plaatsen waar dagelijks dialoog plaatsvindt, vaak in stilte, door gezamenlijke dienstverlening aan de armen en zieken. Het is hier dat de "genezing van de volken", waarover gesproken wordt in het boek Openbaring, al plaatsvindt, in stilte en onvoorwaardelijk.

En hoe zit het met vergeving? Ik weet het, het is nu een moeilijk woord. Maar we zijn christenen, en Jezus is de onbetwiste meester van de vergeving. Vergeving betekent niet vergeten, noch het goedpraten van het kwaad. Het betekent de keten van haat verbreken en getuigen van deze mogelijkheid, zelfs wanneer het onmogelijk lijkt. Ik weet dat dit misschien naïef klinkt. Maar het is onze missie. De weg is zwaar, dat weet ik. Maar laten we ons er niet voor afsluiten. Onze taak blijft om zout en licht te zijn, om kansen te creëren voor vertrouwen, zelfs wanneer woorden tekortschieten.

10.  Tegen de cultuur van geweld

We hebben gezien dat zij die van leugens en geweld houden, het nieuwe Jeruzalem niet zullen binnengaan. Onze afwijzing van geweld moet totaal en tastbaar zijn. We hebben het al vaak gezegd, maar het is niet genoeg: we moeten het ook in daden, maar ook in woorden, naleven. We leven te midden van een vloedgolf van gewelddadige woorden, die gemeengoed zijn geworden. En ook wij christenen lopen het risico in deze val te trappen.

Wat kunnen we doen? Laten we allereerst ons geweten onderzoeken als het gaat om ons taalgebruik. In preken, in catechese, in onze gezinnen: laten we leren de dingen bij hun naam te noemen zonder ooit anderen tot vijanden te reduceren. In alle omstandigheden blijven er altijd anderen, mensen die respect verdienen.

Laten we onze kinderen in gezinnen leren geen haatdragende woorden te gebruiken, geen nepnieuws te verspreiden en onderscheid te maken tussen legitieme kritiek en beledigingen. Laten we in onze media het goede voorbeeld geven: laten we informatie aanbieden die de waarheid zoekt en begrip bevordert, niet confrontatie.

We voelen ons machteloos tegenover de wet van de sterkste. Maar het boek Openbaring herinnert ons eraan dat Gods kracht die van het Lam is: zachtmoedigheid die niet zwicht, liefde die niet zwicht voor haat en vergeving die de vijand ontwapent. Laat dit onze "politiek" zijn. Paus Leo XIV herinnert ons hier zeer goed aan in zijn eerste vredesboodschap: "De wereld wordt niet gered door zwaarden te slijpen, noch door onze broeders en zusters te oordelen, te onderdrukken of uit te roeien. Integendeel, zij wordt gered door onvermoeibaar te streven naar begrip, vergeving, bevrijding en verwelkoming van iedereen, zonder berekening en zonder vrees." (Eucharistieviering op het feest van Maria, de Allerheiligste Moeder van God

- 19e Wereldvredesdag, 1 januari 2026)

Wij verwerpen elke medeplichtigheid aan de cultuur van geweld. Onze trouw is aan het Lam, niet aan de logica van de macht. Waar het ook vandaan komt, welke vorm het ook aanneemt, geweld is nooit de weg van het Evangelie.

11.  Vertrouwen: Een tegengestelde, maar noodzakelijke tegenstroom

In het eerste deel van deze brief spraken we over scepsis. Het is een wijdverbreid sentiment in onze gemeenschappen: scepsis ten aanzien van instellingen, politiek, woorden en soms zelfs ten aanzien van de toekomst. We moeten echter erkennen dat scepsis, wanneer het een permanente houding wordt, ons uiteindelijk verlamt. We zijn geroepen om op deze scepsis te reageren met vertrouwen.

Dit is geen naïef optimisme of een houding die de hardheid van de werkelijkheid negeert. Christelijk vertrouwen komt voort uit geloof en is een keuze die tegen de stroom ingaat. Het is de zekerheid dat God de geschiedenis niet aan de chaos heeft overgelaten en dicht bij hen blijft die lijden, die vervolgd worden, die verstoten worden. Het is de overtuiging dat een leven dat uit liefde is gegeven, nooit verloren gaat.

Laten we denken aan Abraham en Sara. Menselijkerwijs was er voor hen geen enkel perspectief meer. Toch bezocht God hen en vertrouwde hun een belofte toe. Vertrouwen komt altijd voort uit een bezoek van God. Daarom moeten we bidden dat de Heer onze gemeenschappen, onze families en onze harten blijft bezoeken. Alleen op deze manier kan een hoop ontstaan die niet teleurstelt.

Concreet betekent dit vertrouwen dat we alle initiatieven, mensen en organisaties in onze regio steunen en zichtbaar maken die in anderen blijven geloven en de kunst van de ontmoeting bevorderen. Maar het is niet genoeg om simpelweg te volgen wat anderen doen: we zijn geroepen om zelf promotors te worden van deze vorm van aanwezigheid, door persoonlijk de moed van eenheid te omarmen.

Sommigen denken misschien dat dit onbeduidende gebaren zijn, omdat "hier toch niets zal veranderen". Maar zelfs als dat zo zou zijn, mogen we niet opgeven om een verschil te maken. We willen die kleine, soms ongemakkelijke aanwezigheid zijn die weigert zich te laten leiden door verhalen van haat, maar die met zachtmoedigheid en vastberadenheid haar eigen waarheid verkondigt: christenen haten niet. Dit is ons getuigenis, en het is reeds een profetie.

12.  Welkom: De adem van de liefde

We moeten rekening houden met het latente gevaar dat elke gemeenschap bedreigt, vooral wanneer die klein is zoals de onze: het gevaar om ons in onszelf te keren en een vesting te worden. De verleiding is om te beschermen wat er overblijft, grenzen te verdedigen, de identiteit te bewaren - een begrijpelijke houding, zeker, maar niet christelijk. De liefde die Jezus ons leert, kent geen grenzen. Toen hem werd gevraagd wat het grootste gebod was, verbond hij onlosmakelijk de liefde voor God met de liefde voor de naaste. En die naaste is in zijn gelijkenis een Samaritaan - een vreemdeling, iemand anders, iemand met wie niemand sprak. Jeruzalem - zoals we hebben gezien - heeft altijd zijn deuren open en bestaat voor zover het gastvrij is.

Gastvrijheid betekent niet alleen de deuren openen voor mensen die van buitenaf komen - migranten, vluchtelingen, pelgrims, armen van andere geloofsovertuigingen - maar ook elkaar verwelkomen, voorbij de banden die ons verdelen. In ons eigen bisdom hebben we katholieken van de Latijnse en Oosterse ritus, van Arabische en Joodse afkomst, afkomstig uit diverse culturen en landen: Filipino's, Indiërs, Aziaten uit andere landen, Latijns-Amerikanen, Afrikanen, Europeanen. We zijn allemaal één familie, geen archipel van eilanden.

 

Gastvrijheid betekent anderen – iedereen – niet zien als vreemdelingen die getolereerd moeten worden, maar als een geschenk. Het betekent dat we ons laten uitdagen door hun diversiteit, dat we ons laten verrijken. Het betekent dat we de logica van 'wij' en 'zij' overstijgen om die van het ene 'wij' te betreden dat ons allen omvat.

Ik weet heel goed dat dit alles, in de situatie waarin we ons bevinden, niet gemakkelijk is. Er is zoveel angst. Identiteit lijkt fragiel. Maar het christelijk geweten is geen fort dat verdedigd moet worden; het is een stromende bron. Een gesloten bron raakt verstopt. Alleen stromend water blijft vitaal en levendig, en brengt leven, zoals de rivier die stroomt uit het hart van het Lam.

Mogen onze gemeenschappen plekken zijn waar iedereen – ongeacht afkomst, taal, cultuur of geloof – zich welkom, gehoord en geliefd voelt. Dit betekent niet dat we onze identiteit moeten verliezen, maar dat we die in haar puurste vorm moeten beleven: liefde die niemand uitsluit.

Terug naar Jeruzalem

We zijn aan het einde gekomen van deze lange brief. Misschien voelen sommigen van u zich, nu u dit punt hebt bereikt, moe of verward: zoveel onderwerpen, zoveel beproevingen, zoveel aanwijzingen. Het risico is dat u zich overweldigd voelt en zich afvraagt: "Hoe kunnen we dit allemaal voor elkaar krijgen?"

Het antwoord is eenvoudig: dat kunnen we niet. Tenminste, niet alleen. Maar we zijn niet alleen.

Jezus Christus zei immers: "Want waar twee of drie in mijn naam bijeen zijn, daar ben Ik in hun midden." (Matteüs 18:20) Dit is waar, en wij zijn daar getuigen van: we hebben het zelfs in onze tijd ervaren. Daarom nodigen we u uit om niet te verzuimen "samen te komen" (vgl. Hebreeën 10:25). Jezus wacht op ons in onze parochies, in onze geloofsgemeenschappen, in onze kerkelijke groepen en bewegingen. De inspiratie van de Heilige Geest is toegankelijk in ons dagelijks leven, door de Schrift, persoonlijk gebed, ontmoetingen met anderen en dienstbaarheid aan de armen. Ook al worden we verleid om ons terug te trekken in het aangezicht van het lijden en de goddeloosheid die ons omringen, het is door ons tot anderen te wenden dat we Christus en zijn troost vinden.

We hebben gesproken over oecumenische en interreligieuze dialoog, de afwijzing van geweld, gebed, scholen, gezinnen, maatschappelijk werk, religieus leven, ouderen, vertrouwen en acceptatie. We hebben een visie geschetst: die van het hemelse Jeruzalem, een stad met altijd open deuren, verlicht door de pracht van het Lam, de bladeren die de volken verlossen.

Nu moet dit alles verder vorm krijgen. Niet allemaal tegelijk, noch met onmogelijke heldenmoed, maar stap voor stap: in onze parochies, in onze gezinnen, op onze werkplekken en ontmoetingsplaatsen en met onze vrienden. Door deze pagina's rustig te herlezen, ze te delen en te bespreken in verschillende kerkelijke en pastorale contexten, en dat langzaam en beetje bij beetje te doen, hoop ik dat ze een concreet hulpmiddel kunnen worden om onze missie in het Heilige Land beter te begrijpen.

Want uiteindelijk is het niet onze eigen kracht die ons staande houdt, maar de vreugde van het Evangelie. Een vreugde die niet afhankelijk is van omstandigheden, die niet vervaagt, zelfs niet wanneer alles in duisternis gehuld lijkt. Een vreugde die voortkomt uit de zekerheid dat de Heer met ons is, dat Hij ons niet verlaat, dat Hij naast ons wandelt, zelfs in de donkerste nachten, omdat Hij is verrezen. En Hij leeft onder ons.

Het Evangelie van Lucas eindigt met een prachtig beeld: na Jezus' hemelvaart keerden de discipelen "met grote vreugde terug naar Jeruzalem" (Lucas 24:52). Ze waren geschokt, ze waren bang geweest, ze hadden getwijfeld. Maar uiteindelijk keerden ze vol vreugde terug.

Ook wij verlangen ernaar om met diezelfde vreugde terug te keren naar ons dagelijkse Jeruzalem - onze huizen, onze parochies, onze gemeenschappen, onze dagelijkse verplichtingen. Geen naïeve vreugde die moeilijkheden negeert. Maar een paasvreugde, die weet dat licht de duisternis overwint, dat leven de dood verslaat, dat liefde haat ontwapent.

Laten we vol vreugde terugkeren naar Jeruzalem. Laten we vol passie terugkeren naar ons leven. Laten we Gods droom voor Gods Stad in ons hart dragen en laten we die droom, stap voor stap, dag na dag, ons leven laten worden.

 

Moge Maria, Moeder van God en van de Kerk, Koningin van Palestina en van het hele Heilige Land, patrones van ons bisdom, ons op deze reis vergezellen.

Moge de zegen van God, de Almachtige en Barmhartige Vader van allen, op ieder van u neerdalen.

 

Jeruzalem, 25 april 2026, Feest van de Heilige Marcus de Evangelist

+ Pierbattista Kardinaal Pizzaballa, Latijnse Patriarch van Jeruzalem

Vertaling door oudabt Gerard Matthijsen osb, Sint Adalbertabdij Egmond NL

Attachments

They Returned to Jerusalem with Great Joy - Dutch.pdf